donderdag 20 januari 2011

Magie in de Middeleeuwen

In het onderwijssysteem van de middeleeuwen ging men uit van zeven vrije kunsten of artes liberales die geënt waren op het onderwijssysteem uit de klassieke oudheid (Griekenland en Rome). Deze zeven kunsten waren nog eens onderverdeeld in een trivium en een quadrivium. Het trivium behelsde grammatica, retorica en dialectica, wat we kunnen beschouwen as als de vakken om een begenadigde spreker te worden. Het quadrivium omvatte geometrica, musica, arithmetica en astronomica.

Maar deze zeven kunsten waren enkel weggelegd voor de rijken. Daarnaast had men in de middeleeuwen ook nog de zeven artes serviles, ook wel de artes mechanicae genoemd, die bedoeld waren om mensen op te leiden tot handige ambachtslui, boeren en soldaten.

Ook deze kunsten waren, niet toevallig, ingedeeld in zeven categorieën: handenarbeid, krijgskunst, zeevaart samen met aardrijkskunde (navigatie), landbouw en huishoudkunde, dieren en jacht, heelkunde en als laatste sport en spel .

Ook de magie werd ingedeeld in een aantal kunsten, de artes magicae genaamd. Deze kunsten kunnen opgedeeld worden in de artes incertae en de artes prohibitae. In de artes incertae vinden we astrologie en alchemie terug en in de artes prohibitae magie en mantiek (of waarzeggerij). Zoals de namen al doen vermoeden werden de artes incertae of de ‘onzekere’ kunsten met een zekere argwaan bekeken maar oogluikend toegestaan door de machtige kerk en de artes prohibitae of ‘verboden’ kunsten helemaal niet toegestaan.

De artes magicae werden soms ook ingedeeld in zeven kunsten maar dat is altijd zeer kunstmatig en arbitrair en meer omwille van de symmetrie met de artes liberales en serviles. De indeling in zeven zwarte kunsten verschilt ook van auteur tot auteur. Zo onderscheidde bijvoorbeeld Isidorus van Sevilla deze zeven vormen van magie: geomantie, hydromantie, aeromantie, pyromantie, waarzeggen aan de hand van observatie van de vlucht en kreten van vogels (augurie), chiromantie en necromantie.

De middeleeuwse mens had twee manieren tot zijn beschikking om gebruik te maken van magie. De eerste manier bestond erin om de hulp in te roepen van geesten of bovennatuurlijke wezens. Die hulp kon zich op twee manieren manifesteren: ofwel hulp van goede geesten om een lovenswaardig doel te bereiken, ofwel hulp van kwade geesten voor eigen gewin of het benadelen van anderen. Hierbij kunnen ook parallellen worden getrokken tussen magie en religie omdat beide zich richten tot een bovennatuurlijk wezen voor hulp en kracht. Het zal dus niet verwonderlijk zijn dat de middeleeuwse kerk zich verzette tegen dit soort magische praktijken.

De tweede manier om magie te gebruiken was het benutten van krachten en processen in de natuur die de mens (nog) niet kon verklaren. Deze verborgen krachten en processen werden dan door middel van magie gekanaliseerd. Deze vorm van magie stootte ook op verzet van de kerk maar wekte toch minder weerstand op aangezien er niet getwijfeld wordt aan de almacht van God. Deze twee verschillende manieren om met magie om te gaan stellen ons in staat om een onderscheid te maken tussen natuurlijke magie, witte magie en demonische of zwarte magie.

Natuurlijke magie maakte gebruik van de nog niet verklaarde natuurwetten en stemt overeen met de tweede manier hierboven beschreven. Natuurlijke magie werd niet onderscheiden van wetenschap, maar eerder beschouwd als een tak van de wetenschap. Het was de wetenschap die zich met 'occulte deugden'(of verborgen krachten)in de natuur bezighield. Men ging ervan uit dat deze verborgen krachten ook rationeel waren en werkten volgens wetten.

Deze wetten kunnen als volgt geformuleerd worden;
1- de wet van gelijkwaardigheid (similia similibus): de imitatieve magie of analogie-magie besluit uit de uiterlijke gelijkenis van twee dingen tot hun innerlijke overeenkomst, wisselwerking of verbondenheid. Ook het nabootsen van handelingen of het vermelden van gelijkaardige gebeurtenissen leidt tot een diepere relatie (…).

2- de wet van tegenstelling (contraria contrariis curantur): dingen die een uiterlijke tegenstelling vertonen, vullen elkaar aan, complementeren elkaar.

3- de wet van nabijheid of convenientia: uitwendig contact leidt tot een innerlijke band die ook blijft bestaan na het ophouden van de uiterlijke aanraking. Dit heet dan contagieuze magie (…). Nabijheid is geen exterieure of accidentele relatie, maar een aanwijzing van een obscure maar innige verwantschap.

4- deel staat voor geheel (pars pro toto): wie een deel heeft, bezit in feite ook het geheel. Watmen aan een deel van de mens doet, doet men aan de ganse persoon.

In tegenstelling tot de natuurwetten die uitgaan van de causale band, die van oorzaak en gevolg, is de band hier er één van analogie en associatie.

Naast natuurlijke magie had je dus ook nog witte en zwarte magie. Witte magie maakt eigenlijk gewoon gebruik van goede geesten. Deze werden aangeroepen om een nobel doel te helpen verwezenlijken. Deze witte magie werd ook wel ‘théurgie’ genoemd omdat er een goede geest of engel opgeroepen werd en kan gedefinieerd worden als "een (onder)handeling met de engelen of zuivere geesten". Het gaat hier over het aanroepen van engelen en zo betreden we hier het grensgebied tussen magie en religie.

Als laatste had je dan nog de zwarte of demonische magie. Die deed hetzelfde als witte magie maar dan door het aanroepen van kwade geesten of duivels en niet voor een hoger doel maar voor eigen gewin en voordeel. Het spreekt vanzelf dat de kerk dit soort van magie streng veroordeelde. Demonische magie was niet onderscheidbaar van religie, maar eerder een verdraaing van religie. Het was religie die zich afgekeerd van God in de richting van demonen, voor hun hulp in menselijke aangelegenheden.

Deze demonen zijn dan de door het christendom aan de gevallen engelen of duivels gelijkgestelde heidense goden. In de geschriften uit de vroege middeleeuwen was de theorie van de duivelse interventie in de magie veel sterker vertegenwoordigd dan die van de natuurlijke magie waarschijnlijk onder druk van de kerk. Pas na de twaalfde eeuw begon dit te veranderen. Niet toevallig is dit ook de periode waarin de eerste teksten opduiken over chiromantie.

Een laatste onderscheid dat gemaakt moet worden als we spreken over magie is het verschil in magie bedreven door de ‘gewone’ mens en de magie bedreven door de ‘geschoolde’ mens in de middeleeuwen.

Het onderscheid tussen geleerdenmagie en leken- of volksmagie is het gevolg van een langdurig en ingewikkeld proces. De verschriftelijking van de volkstaal in de twaalfde eeuw en de opkomst van de universiteiten hebben een belangrijke rol gespeeld bij de ontwikkeling en verbreiding van magische kennis. Latijn bleef het medium van de geleerden, en kennis van de ars magica – het verrichten van handelingen ingegeven door inzichten in de verborgen krachten van de kosmos (natuurlijke of witte magie) of met behulp van de demonische krachten (demonische of zwarte magie) – kon worden verkregen, via bestudering van de astrologie in het kader van de astronomia, één van de zeven vakken van de artes liberales.

De ontsluiting in de twaalfde eeuw van Griekse en Arabische astrologische geschriften door middel van Latijnse vertalingen heeft de inhoud en de vorm van astrologische kennis ingrijpend veranderd. Kennis van deze nieuwe astrologie vond met name ingang in het geleerdenmilieu van clerici en medici.

Het bereik van de volksmagie daarentegen was niet beperkt tot een specifieke bevolkingsgroep, maar strekte zich uit over alle lagen van de samenleving. Het merendeel van de overgeleverde Middelnederlandse magische teksten behoort tot de volksmagie.

Nu gaan we iets dieper in op het schemergebied tussen magie en religie. De gewone middeleeuwer in de straat had daar geen boodschap aan. Alleen geleerden en professoren probeerden een duidelijke afbakening te vinden voor de toepassingsgebieden van beide termen magie en religie te maken. Maar de gewone man in de middeleeuwen lag daar niet wakker van, voor hem waren magie en religie vaak inwisselbare begrippen en aan de subtiele verschillen tussen beide begrippen had hij voor zijn dagelijks gebruik geen boodschap.

Voor de meerderheid van de middeleeuwse bevolking was het verschil in ieder geval bijzonder vaag en onduidelijk. Toch wil dit niet zeggen dat de middeleeuwse mens het verschil niet kende tussen goed en kwaad. Men wist dat er een verschil was tussen het aanroepen van God of de engelen voor hulp en het aanroepen van de duivel of demonen voor hulp. Maar in hun dagdagelijkse leven speelde dit onderscheid geen rol.

Als de middeleeuwse mens in contact kwam met onnatuurlijke en onverklaarbare fenomenen in het dagelijkse bestaan was het voor hem niet het belangrijkste om zich de vraag te stellen of dit een teken van goede of slechte magie was, maar of het een bedreiging was of niet. Geleerden hielden zich dus wel bezig met die vraag.

Waarschijnlijk moet het verschil tussen religie en magie gezocht worden in de verwachtingen die men heeft van beide. Als men een beroep doet op God, hoopt men erop dat God zo welwillend zal zijn de wens in te willigen. Met andere woorden, men weet niet wat men kan verwachten maar men gelooft en hoopt op een goede uitkomst.Bij magie ligt dit anders. Daar verwacht men niet alleen een resultaat maar eist men ook dat het gebeurt. De verwachtingen zijn veel hoger gespannen en moeten ingelost worden en liefst zo snel mogelijk.

De houding van de meeste middeleeuwse schrijvers ten opzichte van magie was negatief, vooral omdat in de middeleeuwen, zeker in de vroege middeleeuwen, niet veel mensen geloofden in iets als natuurlijke magie naast demonische magie. Alle magie was per definitie demonisch. Maar de term magie heeft een lange geschiedenis en om te begrijpen wat men in de middeleeuwen onder magie verstond, vergt het enige kennis van die geschiedenis.

In de klassieke oudheid werd het woord ‘magie’ gebruikt voor al de kunsten die de ‘magi’ beoefenden.De ‘magi’ waren de Zoroastische priesters van Perzië en hun kennis en bestaan was doorgedrongen tot bij de Grieken zeker vanaf de vijfde eeuw voor Christus. Wat deze ‘magi’ precies deden daar hadden Grieken en Romeinen slechts een vaag beeld van. Ze beoefenden astrologie, ze beweerden mensen te kunnen genezen met groots opgezette valse ceremoniën en in het algemeen zochten ze naar kennis over het occulte, wat hier staat voor het verborgene en nog geen negatieve connotaties had.

Wat ze ook deden, het werd de’ars magica’ genoemd, de kunst van de ‘magi’. Vanaf het begin had de term dus geen duidelijk omlijnde betekenis en omdat de ‘magi’ vreemdelingen waren met exotische talenten kreeg de term al snel allerlei duistere connotaties. Magie was iets sinister en bedreigend. Toen Grieken en Romeinen de praktijken van de ‘magi’ overnamen, werden zij gevreesd voor hun betrokkenheid bij magie.

Magie werd een term die sloeg op de sinistere en duistere activiteiten van occultisten. Vroegchristelijke schrijvers maakten gebruik van deze negatieve connotaties. Als Griekse en Romeinse heidenen de toekomst konden voorspellen of ziekten genezen, was dat omdat ze hulp kregen van hun goden. Maar de heidense goden zijn geen echte goden, vanuit een christelijk standpunt gezien zijn ze in feite demonen. Dus was hun magie niets anders dan demonische magie.

Volgens vroegchristelijke schrijvers als Augustinus van Hippo waren het demonen, die de magische kunsten hadden uitgevonden en deze kunsten geleerd hadden aan mensen.. Tot in de twaalfde eeuw was het antwoord van een theoloog op de vraag wat magie is, dat het begon met demonen en dat ze er altijd bij betrokken waren.

In de tweede helft van de dertiende eeuw kwam daar verandering in. Dan vindt een belangrijke omslag plaatst in het religieuze en ethische denken. Deze twee waren vroeger nauw met elkaar verbonden maar daar komt nu verandering in: in de zeventiger jaren van de dertiende eeuw. De veroordeling van een aantal ‘filosofische’ in de zeventiger jaren van de dertiende eeuw stellingen aan de Parijse universiteit in 1270en 1277 is niet alleen symptomatisch voor de crisis die zich op dat moment ter plekke voordoet, maar ook typerend voor de richting die het geloofsleven van dan af zal uitgaan. Filosofie en theologie zijn onverzoenbaar gebleken en volgen voortaan elk hun eigen traject. Het geloof distantieert zich van het rationele en gaat de weg op van affectiviteit en mystiek.

Het religieuze en ethische denken verschillen fundamenteel van mening over hoe de weg naar God loopt. De filosofie kiest voor rationaliteit en logisch denken terwijl de religie, in casu de katholieke kerk, het pad van de irrationaliteit en empathie kiest.

Met de verspreiding van de mystiek, begon Europa een interesse te vertonen, die al snel uitgroeide tot een vurige passie voor alle bijgelovige kunsten en occulte wetenschappen: voor geomantie, hydromancy, aeromancy, pyromancy, chiromantie, en necromany, voor alchemie, astrologie en voor voor hekserij.

Doordat de kerk mystiek en affectiviteit verkiest boven rationaliteit gaf ze de artes magicae een prachtige voedingsbodem waardoor ze konden floreren. Deze veranderde houding is het gevolg van twee grote verschuivingen. Ten eerste waren er schrijvers die natuurlijke magie zagen als een alternatief voor demonische magie en ten tweede begonnen ze de term natuurlijke magie ook te gebruiken voor operatieve functies zoals genezen, waardoor de negatieve connotaties, waar de term magie al zolang mee worstelde, weggenomen werden.

William van Auvergne (1180-1249), een invloedrijke theoloog en later bisschop van Parijs, erkende het onderscheid tussen demonische en natuurlijke magie. Maar vele mensen bleven vasthouden aan de gedachte dat alle magie demonisch was. Toch werd doorheen de veertiende en vijftiende eeuw het begrip natuurlijke magie deel van de Europese cultuur.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Vergelijkbare Blogs

Related Posts with Thumbnails