donderdag 23 december 2010

Moderne Egyptische Magie van Griekse Oorsprong

Met de toegenomen belangstelling voor allerlei aan magie gerelateerde zaken, zoals de huidige tentoonstelling "Egyptische Magie" in het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden, zien we vanuit de New age-beweging een scala aan individuen die het onderwerp Egyptische magie naar zich toe trekken, meestal om dit onderwerp commercieel te benutten. Als we googlen op "Egyptische Magie", vinden we een hoop moderne onzin. Voorbeelden die we vinden zijn o.a.: Een workshop geven door een zelfbenoemde magiër, een optreden van een DJ met als thema Egyptische magie. Ook egyptologen hebben het momenteel heel erg druk met het geven van cursussen over Egyptische magie. Sterzoeker kan dus niet achter blijven en wil onderzoek doen naar de claim van de moderne magiër, dat moderne magie afkomstig zou zijn uit het oude Egypte.

Moderne magiërs en esoterici, zoals de Hermetische Orde van de Golden Dawn, hebben een theorie dat de oude Egyptische magie een primaire bron is van de westerse magische praktijk en gedachtengoed. Omdat we weten dat de Hermetica en Neo-Platonische theürgie grote invloed hebben gehad op de latere Europese magische tradities, zou een onderzoek naar mogelijke relaties tussen Egyptische en Griekse magische ideeën nuttig zijn voor het verkennen van de waarheidsgetrouwheid van deze “magische” claim.

Deze blog richt zich op een set van oude teksten, de Griekse Magische papyri, die aanzienlijke mogelijkheden bieden voor onderzoek naar deze relatie en Sterzoeker komt tot de conclusie dat de oorsprong van de moderne magie veel eer in het Griekse moet worden gezocht dan in Egypte.

De PGM (Papryi Graecae Magicae) is de naam gegeven aan een cache van papryi met magische spreuken, verzameld door Jean d'Anastaisi, in de vroege jaren van 1800, in Egypte. Hans Deiter Betz, speculeert in de inleiding van zijn Engels vertaling van deze teksten, dat deze papyri kan zijn gevonden in een graf of een tempel-bibliotheek en dat de grootste papyri eigendom kan zijn geweest van een collectie van een man in Thebe. Echter, de exacte herkomst voor de PGM is onbekend. Betz stelt dat middels literaire bronnen bekend is dat er in de oudheid een flink aantal magische spreukenboeken werden verzameld, waarvan de meeste zijn vernietigd. Zodoende is de PGM een zeer belangrijke bron van informatie, uit de eerste hand, over de magische praktijken in het oude mediterrane.

De PGM spreuken omvatten een verschiedenheid aan magische praktijken van inwijdingsriten voor onsterfelijkheid tot aan liefdesspreuken en genezingsriten. Het merendeel van de papyri zijn geschreven in het Grieks en Demotisch, met delen in Oud Koptisch. Ze zijn gedateerd tussen de 2e eeuw voor Christus en de 5e eeuw na Christus. De spreuken roepen Griekse, Egyptische, joodse, gnostische en christelijke goden aan.

Twee van de meest intrigerende aspecten van deze teksten zijn de praktijk van zelfidentificatie met de godheid en het gebruik van voces magicae ( kracht woorden) bij het uitvoeren van magische rituelen. In veel van de spreuken, wordt de beoefenaar verteld "Ik ben" te gebruiken met een specifieke godheid naam om de werking van de spreek te bekrachtigen. PGM I 247-62, een spreuk voor de onzichtbaarheid, verklaart: "Ik ben Anubis, ik ben Osir-phre, ik ben OSOT SORONOUIIER, ik ben Osiris wie Seth vernietigd. . " Het gebruik van specifieke magische taal in deze teksten, de voces magicae, zien we veelvuldig. De meeste van deze woorden worden beschouwd als "onvertaalbaar". Woorden van de macht in de bezweringen zijn samengesteld uit lange reeksen van klinkers, Een EE EEE IIII OOOOO, yyyyyy, OOOOOOO, alleen of met speciale namen van goden of demonen, dit zijn vaak palindromen en significant lang als in IAEOBAPHRENEMOUNOTHILARIKRIPHIAEYEAIPIRKIRALITHONUOMENERPHABOEAI. De exacte uitspraak van deze voces magicae was de sleutel tot de succes van de spreuken.

De Egyptische funeraire teksten identificeren de overledene duidelijk met de godheid en de kracht van woorden en taal is een overheersend kenmerk van de Egyptische magie. Deze noties in de PGM geven een mogelijk verband tussen de oude Egyptische en Griekse magie.

In de funeraire literatuur van het oude Egypte, van de Piramide-teksten tot en met het Doden Boek, is er een overvloedig bewijs dat de oude Egyptenaren dachten dat de mensen goden zouden kunnen worden. Godheden werden gezien als bezitters van heku, magie, een aspect van de oorspronkelijke creatieve kracht die de kosmos gevormd heeft. Zo werd magie beschouwd als een intrinsiek onderdeel van de werkelijkheid en het goddelijke zijn.
De grafteksten zijn een gids voor de overledene om haar of hem te helpen bij het behouden van de magie die men al bezat en om meer te krijgen. Naamgeving is in deze uiterst belangrijk en de kunde om alle goden en voorwerpen bij naam te noemen bewees dan men voldoende magie had verworven om te zitten met de goden. In deze teksten wordt de overledene duidelijk geïdentificeerd met de god Osiris. Door het gebruik van historaloe (zelfidentificatie met een godheid) zal de overledene de reis naar het hiernamaals succesvol navigeren. Net zo als Osiris. Het gebruik van historaloe kwam in de magische praktijk vaak voor, vooral in genezingsriten. Door het kennen van de namen van alle aangetroffen in het hiernamaals en het tot stand brengen van een koppeling met een godheid, die reeds succesvol is geweest in dit rijk, was de overledene goed voorbereid voor de reis.

In de Pyramid teksten, lijken de eerste spreuken op een script voor het aansturen van verschillende Egyptische goden. Specifieke formules worden namens de overledene koning gereciteerd. Spreuk 1 begint "recitatie door Nut, de grote weldadige", uitspraak 2, "recitatie door Geb", enzovoort. Het bewijs dat deze spreuken werden gesproken tijdens begrafenisrituelen zijn de notities na de recitaties die bijvoorbeeld aanwijzingen geven als; "giet water" (spreuk 23) en melding maken van "koud water en 2 pellets, van Natron" (spreuk 32). De priesters en priesteressen nemen de rol van de goden aan ter de voorbereiding van de overledene om zich bij de goden aan te sluiten in het hiernamaals. Eveneens kon de overledene worden geïdentificeerd met Osiris. Zelfidentificatie met de godheid is een "authentieke Egyptische eigenschap".

Taal, en in het bijzonder het benoemen, draagt substantieel magische kracht in het Egyptische denken. De godin Isis, als ze eenmaal achter de echte naam Ra's, is dan pas in staat om Horus te genezen van de slangenbeet. Een van de oudste homologieën van de Egyptenaren uit Memphis (ca. 2700 v. Chr) beschrijft dat de god Ptah creëert door zijn geest (hart) en woord (tong). Aldus, bevatten woorden een oer-stof en de handeling van het spreken spiegelt de oer-creatie. Spreken creëert de werkelijkheid. Het schrijven werd door de god Thoth aan de mensen gegeven en de Egyptenaren noemden hun taal "woorden van de goden" en de hiërogliefen "het schrijven van de heilige woorden."

De Piramide-teksten, grafteksten en het Doden boek tonen ons het Egyptische geloof in de kracht van de taal om de wereld te beïnvloeden. Woorden, gesproken of geschreven waren niet alleen symbolen, maar realiteiten in zichzelf. Hiërogliefen bevatten specifieke resonantie met magische krachten en de meeste van de funeraire teksten werden geschreven in hiërogliefen. De Egyptenaren geloofden duidelijk dat de mens zich “energetische verdubbelt” in de wereld buiten de fysieke werkelijkheid en het lijkt aannemelijk dat van de hiërogliefen ook werd gedacht dat deze een soortgelijk bestaan hebben, aangezien ze werden geschreven op de binnenkant van de piramidegraven of op grafkisten of op rollen geplaatst binnen de in kisten voor de overledene, te ze gebruiken in het hiernamaals. Verder bewijs van de realiteit van de beelden zelf, komt uit de praktijk, van het door het midden snijden van bepaalde hiërogliefen om hun mogelijke effect te verminderen.

Het zingen of chanten van klinkers wordt ook gevonden in de Egyptische religieuze praktijk, zoals gerapporteerd door Demetrius in zijn Romeinse verhandeling, De Eloutione:

"In Egypte, gebruikten de priesters, tijdens hun dienst, ter ondersteuning, bij het zingen van gezangen ter ere van de goden, de 7 klinkers die het geluid van deze letters was zo welluidende dat men dit ook gebruikt werd in plaats van de fluit en lier"

In wetenschappelijke discussie wordt er een scheidslijn getrokken tussen religie en magie In het kader van Egyptische magie is aannemelijk om te vermoeden dat het zingen van klinkers voor meer gebruikt werd dan alleen voor de lofliederen, welke door de Egyptische priesters werden gezongen.

Door de zelfidentificatie met de godheid en het gebruik van een specifieke soort van magische taal, beschreven in de PGM, kunnen deze Egyptische magische begrippen binnen een Griekse magische context geplaatst worden. De vraag is dan echter, kan het bewijs worden gevonden dat de Griekse magie, voorafgaand aan de PGM, deze praktijken opgenomen heeft en komen ze wel voor in de latere Griekse magische materiaal, waarvan we weten dat zij invloed hebben gehad op de Europese traditie.

Betz zegt in de Encyclopedia of Religion, dat "magie een essentieel onderdeel van de Grieks-Romeinse cultuur en religie was." In de klassieke Griekenland, werd Egypte en Thessalië beschouwd als primaire bronnen van magische kennis, maar omstreeks 323 BC was het magische materiaal in Griekenland aanzienlijk toegenomen. Betz stelt verder dat het "Hellenistische syncretisme, dat de overvloed aan materiaal welke vandaag beschikbaar is, heeft geproduceerd." Griekse magische beoefenaars onderscheiden verschillende soorten magie; goeteia - lagere magie, mageia - algemene magie en theourgia - hogere magie. Theourgia, lijkt de meest waarschijnlijke soort van magie waarbinnen we zelfidentificatie met de godheid en het gebruik van voces magicae vinden.

Zelf-identificatie met de godheid in magische handelingen als onderdeel van de oude Griekse magische praktijken voorafgaand aan de PGM is niet evident. De Grieken speculeerden dat mensen en goden 'dezelfde moeder hadden", maar een er stond een enorme kloof tussen hen. Vanaf de oudheid tot de dag van de PGM, bestond de Griekse opvattingen over de relatie tussen het menselijk bestaan en goddelijk bestaan en nam een verscheidenheid van vormen aan, maar volgde nooit het Egyptische patroon van de mogelijkheid van declaratieve goddelijke identiteit. De oude Grieken geloofden dat de gemeenschap met de goden mogelijk was zoals in de Eleusiaanse en Dionysische mysteriën en Empedocles verklaarde dat hij had de kennis om zichzelf onsterfelijk te maken. Maar, het Griekse idee van een goddelijke vonk in de menselijke ziel, die kan worden geactiveerd, overwogen en herenigd met de goden gaat uit van de “andere-heid” van de godheid en valideert de fundamentele afgescheidenheid van het menselijk bestaan van het goddelijke.

Voor de Egyptenaren, lijkt het goddelijke immanent te zijn in de wereld. De wereld van mensen en goden werd niet gezien als onmiskenbaar anders. Menselijke activiteit ging voort na de dood . Goden, belichaamd als de farao, woonde in de menselijke samenleving. Magische praktijken verduidelijkten slechts dat wat reeds bestaat. Voor de Grieken, was magie een kanaal tot communicatie en gemeenschap met godheid of een proces waarbij de ziel kon worden gezuiverd door middel van direct contact met het Goddelijke. Egyptenaren hoefden slechts hun staat van zijn te bevestigen door middel van spraak om de gevraagde werkelijkheid te creëren. "Herhaalde opdrachten of beweringen die een gewenste stand van zaken in wezen reeds in zich dragen, zijn een gemeenschappelijk kenmerk van de Egyptische spreuken."

Echter, er zijn verwijzingen naar de voces magicae in de oude Griekse materiaal afgezien van de PGM. Vroeg zijn de Ephesia grammata, (ASKION, KATASKION, LIX, Tetrax, DAMNAMENEUS, Aisia) mystieke brieven die zogenaamd werden ingeschreven op het standbeeld van Artemis in Efeze. Ze werden mondeling gebruikt en geschreven om kwaad af te weren. Een loden tablet gegraveerd met de Ephesia grammata dateert van de 4e eeuw v Chr. Er werd gezegd dat ze gebruikt werden als een gesproken liefdesbetovering terwijl er rondjes werden gelopen rond pasgetrouwden.

Peter Kingsley, schrijft over het magische wereldbeeld van Empedocles ", en bevestigt:" Er is niets dat niet levendig is en bewust leven is voor hem [Empedocles] -. Alles - zelfs de woorden gesproken door een man met verstand heeft een bestaan, intelligentie en bewustzijn van zichzelf " Dit begrip nadert nauw de Egyptische ideeën dat woorden geen symbolen zijn, maar realiteit zijn.

Orpheus genas menselijke pathos (lijden) met gedichten en de lier, terwijl Pythagoras zijn discipelen in slaap kon zingen om lichaam en ziel te genezen door muzikale woorden. Fox stelt dat de PGM de verdere uitvoering is van deze "shamanistische" traditie van de magische muzikale betoveringen. Voor de eigenlijke auteur (s) van de PGM, zal het begrip van de magische kracht van taal sterk zijn geweest. Inderdaad komende van zowel de Egyptische als wel van Griekse magische tradities.

Het gebruik van voces magicae wordt voortsgezet in latere Koptische teksten. Voor een spreuk voor het inroepen van een "donderende kracht om wensen uit te voeren" moest men zeggen: "... Ik roep u op, die is benoemd met de grote geheime naam HAMOUZETH BETH ATHANABASSETONI." Klinker-bezweringen worden ook gevonden in deze Koptische teksten in opsommingen die typisch zijn voor de PGM.

AEEIOUO
EEIOU
EIO
IO
I

Voces magicae worden ook genoemd in de Chaldeeuwse orakels die vergelijkbaat zijn met de PGM en ze lijken een intrinsiek onderdeel van het ritueel van de theurgist’s te zijn. Wat intrigerend is, voor deze blog, met betrekking tot Chaldeeuwse orakels, is de relatie tussen de voces magicae en het proces van immortalisatie (onsterfelijkheid) van de ziel, dat is het doel van theürgie. Deze teksten geven de best vergelijkbare benadering tot zelf-identificatie met de godheid in een niet-Egyptische context.

Volgens de Chaldeeën, verzamelt de ziel, in zijn afdaling naar het lichaam onzuivere stoffen. Doormiddel van theurgistic riten, kan de ziel weer stijgen, voor ontmoeting met het Goddelijke en kan dan gezuiverd worden van deze onzuivere stoffen voor het bereiken van onsterfelijkheid. De voces magicae doen beroep op de assistent-geesten die de ziel zal helpen op te stijgen zonder angst om naar beneden getrokken te worden in Hades. Maar ook al is onsterfelijkheid het doel, zelf-identificatie met de godheid is niet aangegeven en alleen de ziel kan zulk een toestand te bereiken.

Het idee dat de Egyptische taal specifiek magische macht bevatte is te zien in de geschriften van de mensen van die tijd. In de Hermetica (CH xvi) is er een passage waarin staat dat de Grieken niets zullen begrijpen van de Hermetica. Vertaald in hun taal als het Grieks bevat het niet de kracht van de Egyptenaar. De Chaldeeuwse orakels schrijft voor “wijzig nooit de buitenlandse namen (van de goden). Iamblichus, beschrijft over de moeilijkheid van het vertalen van de Hermetica van het Egyptische naar het Grieks en zegt: "... de geluiden en de [intonatie] van de Egyptische woorden bevatten in zichzelf de kracht van de dingen die gezegd worden." Het inroepen van goden door hun geheime namen is ook kenmerkend voor Egyptische magie.

Geleerden hebben vastgesteld dat andere potentiële bronnen naast Egyptisch voor specifieke voces magicae werden gebruikt. De woordenlijst in de Betz editie van de PGM speculeert over een paar van de voces magicae. Joodse en Griekse afkomst worden gesuggereerd, eveneens Egyptisch voor de acht beschouwd namen. Betz vindt een ingewikkelde syncretisme van Griekse, Egyptische en joodse elementen in de teksten. Het uitsorteren van de verschillende onderdelen en definitief van de oorsprong van deze specifieke voces magicae moet nog worden gedaan en zal moeilijk zijn. Wat we zien in de voces magicae is een algemeen en wijdverspreide eeuwenoude -magische praktijk. Het zou zomaar kunnen zijn dat Abracadabra een neefje is van de voces magicae in de PGM.

Verdere vragen welke gesteld kunnen worden met betrekking tot de voces magicae zijn deze: - - - Wat waren de mogelijkheden voor magische communicatie tussen Egypte en Griekenland in de 4e eeuw voor Christus, waar de vroegste bewijs van het specifieke magische woorden wordt gevonden in de Ephesia grammata?
- Is er sprake van specifieke voces magicae, anders dan klinker zingen, in de Egyptische magische praktijken voorafgaand aan de PGM? Als de specifieke vorm stamt uit het Grieks noties, waarom zijn in vele spreuken de voces magicae in de PGM verbloemd in het Oud-Koptische, waar het hoofdgedeelte van de tekst in het Grieks is geschreven?

Kortom, de bewering dat de wortels van de Europese magie kan worden herleid tot Egyptische magie lijkt zeer verdacht in verband met de besproken begrippen. Egyptische ideeën en praktijken van zelf-identificatie met de godheid lijken niet verenigbaar te zijn met de Griekse opvattingen over de relatie tussen de menselijke en goddelijke werelden. Door de voces magicae er sprake is van een algemene magische traditie in de oude mediterrane waaruit de Europese traditie zou kunnen trekken, maar niet specifiek uit Egypte.

verder lezen:
Armstrong, A.H., ed. Classical Mediterranean Spirituality: Egyptian, Greek and Roman. NY: Crossroads, 1980.
Barb. A.A. "Mystery, Myth and Magic" in Harris, J.R. The Legacy of Egypt, 2nd edition, London: Oxford University Press, 1971.
Betz, H.D. The Greek Magical Papyri in translation including the Demotic spells. Chicago and London: University of Chicago Press, 1986.
Brier, Bob. Ancient Egyptian Magic. New York: William Morrow & Co., 1980.
Eliade, Mircea. A History of Religious Ideas. vol. 1, Chicago: University of Chicago Press, 1978. Eliade, Mircea, ed. The Encyclopedia of Religion. New York: Macmillian, 1987.
Faraone, Christopher and Obbink, Dirk, eds. Magika Hiera: Ancient Greek Magic and Religion. New York: Oxford University Press, 1991.
Faulkner, R. O., trans. The Ancient Egyptian Pyramid Texts. London: University of Oxford, 1969.
Fowden, Garth. The Egyptian Hermes: a historical approach to the late pagan mind. New York: Cambridge University Press, 1986.
Kingsley, Peter. Ancient Philosophy, Mystery and Magic: Empedocles and Pythagorean Tradition. Oxford: Clarendon Press, 1995.
Lewy, Hans. Chaldean Oracles and Theurgy: mysticism, magic and platonism in the later Roman empire. Le Caire: Impremerie De L'institut Francais D'Archeologie Orientale, 1956.
Meyer, Marvin and Smith, Richard, eds. Ancient Christian Magic: Coptic texts of ritual power. San Francisco: Harper, 1994.
Pinch, Geraldine. Magic in Ancient Egypt. Austin: University of Texas Press, 1994.
Willoughby, Harold R. Pagan Regeneration: a study of mystery initiations in the Graeco-Roman world. Chicago: University of Chicago Press, 1929. Johnston, S.I. Hekate Soteria: a study of Hekate's role in the Chaldean Oracles and related literature. Atlanta: Scholars Press, 1990.
Majercik, Ruth. The Chaldean Oracles: text, translation and commentary. Leiden and New York: E.J. Brill, 1989.
Parrott, Douglas, ed. Nag Hammadi Codices 5:2-6 and 6 with papyrus Beronliensis 8502, 1 and 4. Leiden: Brill, 1979.
Shaw, G. Theurgy and the Soul: the neoplatonism of Iamblichus. University Park: Pennsylvania State University Press, 1995. Johnston, S.I. Hekate Soteria: a study of Hekate's role in the Chaldean Oracles and related literature. Atlanta: Scholars Press, 1990.
Majercik, Ruth. The Chaldean Oracles: text, translation and commentary. Leiden and New York: E.J. Brill, 1989.
Parrott, Douglas, ed. Nag Hammadi Codices 5:2-6 and 6 with papyrus Beronliensis 8502, 1 and 4. Leiden: Brill, 1979.
Shaw, G. Theurgy and the Soul: the neoplatonism of Iamblichus. University Park: Pennsylvania State University Press, 1995.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Vergelijkbare Blogs

Related Posts with Thumbnails