zondag 15 juli 2012

Het Praktische Gebruik van Wierook (E)

Sterzoeker gaat verder over wierook. In een aantal blogjes besteden we aandacht  aan de geschiedenis en aan de handel in wierook in de oudheid. Dit is een uitgebreide vervolg op de eerdere blogs over wierook die reeds op Sterzoeker zijn verschenen. U kunt deze eerder blogjes ook vinden door in de kantlijn, in de onderwerpenlijst, op het label "wierook" te klikken. We gaan verder in op het praktische gebruik van wierook in de oudheid.

Bewieroking is nog steeds gebruikelijk in Zuid-Arabiê, en vele van dit soort gewoonten zouden een reminiscentie aan pre-islamitische gebruiken kunnen vormen. Zo werd er tot in onze tijd rijkelijk wierook gespendeerd bij begrafenissen en op de drie volgende avonden na het gebed bij zonsondergang reukwerk gebrand. Bij de graven van heiligen wordt wierook als offer gebracht en ook bij moskeeën worden gaven bestaande uit reukwerk neergelegd.

Uit het bewieroken van pasgeboren babies en kraamvrouwen blijkt wel de apotropeïsche werking die men aan de geur van wierook toeschrijft. De reinigende werking wordt helemaal duidelijk wanneer iemand die zich aan een misdaad schuldig heeft gemaakt wierook moet branden om een dreigend onheil van zijn stam af te wenden. Ook nu nog zijn er vele gebieden waar men gasten eert door bij hun binnenkomst wierook aan te steken en hun kleding met de geur van brandende wierook te parfumeren.

Het grote belang dat de wierookboom vroeger had valt nog steeds op te maken uit de bijzondere nomenclatuur die op deze cultuur betrekking heeft in de moderne Zuidarabische talen Mehri en Sheri (of Gibbali) en in het Arabische dialekt van Dhofär. De verschillende soorten wierookhars hebben ieder een eigen naam en niet alleen de wierookboom wordt met een apart woord aangeduid, maar ook zijn bladeren en bloesems. Voor het inkerven van de stam en voor het afkrabben en oprapen van de hars zijn er aparte werkwoorden, en evenzo bestaan er aparte namen voor het schraapmes dat men daarvoor gebruikt, de korven waarin men de wierook verzamelt en de maat- en gewichtseenheden voor de geoogste wierook.

De wierookaanplantingen worden in Dhofär elk verschillend genoemd naar het aantal van de eveneens met een speciaal woord aangeduide oogstarbeiders, en manzil, dat in het overige Arabisch "stopplaats, woning" betekent, wordt in dit gebied voor "wierookstation" gebruikt. Het is zelfs heel goed mogelijk dat een tot in Oman verbreid woord voor "magazijn, pakhuis", bahhär, genoemd is naar het reukwerk, bahûr, als belangrijkste stapelprodukt.

Ook al is er in de Ilias (IX, 499) sprake van reukoffers, wierook was in de Homerische tijd in Griekenland onbekend; Plinius (Nat. hist. XIII, 2) schrijft duidelijk dat men in de dagen van de Trojaanse oorlog de goden nog niet met wierook aanriep. Het door Pausanias geciteerde spreekwoord "de godheid met het reukwerk van een vreemde (natie) vereren" (Periegeta IX, 30, 1) toont aan dat het offermateriaal dat later werd gebruikt overwegend uit het buitenland afkomstig was.

Plato (Leges 847b) verlangt nog dat men wierook en ander reukwerk uit vreemde landen waarmee men de goden eerde, niet moest importeren, maar dat men datgene moest gebruiken dat het land zelf voortbrengt. Zoals men in het Kanaänitische gebied op de hoogten wierook brandde voor Astarte, zo schijnt in Griekenland het wierookoffer aan de cultus van Aphrodite verbonden te zijn geweest.

Vergilius (Aeneis I, 416v) zegt nog van het heiligdom in Paphos, het centrum van de Aphroditeverering op Cyprus, dat de altaren daar geurden van Sabeese wierook ". Na verloop van tijd werd het branden van wierook een deel van het gebed aan de goden; ook bij waarzeggen, toveren en bezweren gebruikte men wierook. Men geloofde al met een klein beetje wierook de goden mild te kunnen stemmen.

In de Geoponica (XI, 15, 2) is de spreuk overgeleverd dat men de goden meer genoegen kan doen door ze met wierook aan te roepen dan door hun goud als wijgeschenk aan te bieden. Niet alleen bij de godenverering in de eigenlijke cultus was wierook een vereiste, ook bij andere gelegenheden werd hij gebruikt.

Het karakter van het oorspronkelijke reukoffer komt nog duidelijk tot uitdrukking als men van de Pythagoreeërs vertelt dat zij wijn plengden en reukwerk en wierook offerden zodra de disgenoten waren verzameld (Iamblichus, Vita Pythagorica 21, 98), of wanneer gezegd wordt dat men voor een banket wierook op het huisaltaar moet leggen (Athenaeus, Deipno-sophistai XV, 655c). Want de wierook die men daartoe kocht werd niet alleen voor het gerief van de vrienden gebrand, maar ook aan de goden geofferd.

Alexander de Grote was de eerste vorst tot wiens eer men wierook brandde. De Macedoniërs huldigden hem door voor zijn troon een altaar op te richten waarop ze een gouden wierookpan vol wierook plaatsten (Polyaenus IV, 8, 2). Ook bij zijn intocht in Babylon werden er te zijner ere altaren met wierook opgesteld (Curtius Rufus, Historiae Alexandri Magni V, 1,20). Verder schijnt dit gebruikt echter beperkt te zijn gebleven tot Aziatisch Griekenland.

Volgens de Romeinse schrijver Arnobius (Adversus nationes VII, 26) was het nog niet zo erg lang geleden dat het gebruik van wierook zich had verbreid. In het heroïsche tijdperk was hij onbekend, Romulus en Numa offerden zonder wierook te gebruiken en bij de oude schrijvers komt hij niet voor. Als men Livius (X, 23, I) mag geloven gebruikte men in Rome al in het jaar 246 v. Chr. wierook in de cultus.

Vanwege de vele slechte voortekenen dat jaar besloot de Romeinse senaat twee dagen lang een gebedsdienst te houden om het dreigende onheil af te wenden. Hiertoe werden van overheidswege wijn en wierook uitgedeeld. Ook voor privé-gebruik zou de wierook al vroeg in zwang kunnen zijn geraakt, aangezien hij zelfs tot de penus, de in huis opgeslagen voorraad, wordt gerekend (Gellius, Noctes Atticae IV, I, 20).

Zoals in Griekenland bij de Aphrodite-cultus schijnt men in Rome vooral aan Venus graag wierook te hebben geofferd. Men hoopte natuurlijk altijd baat te hebben bij het branden van wierook voor de goden. Aan de andere kant geloofde men dat ook de goden op wierookoffers waren aangewezen. Zij maken zich er over bezorgd dat na de vernietiging van de mensheid door de grote vloed niemand meer wierook aan hen zou kunnen brengen (Ovidius, Metamorphoses I, 248v).

Wijn en wierook speelden bij de Romeinen een belangrijke rol bij de offerrande,vooral als gave vóór het eigenlijke offer. Ture et vino supplicare werd zelfs een aparte zegswijze, vooral sinds deze offermaterie in verband werd gebracht met de keizerscultus. Een enkele keer werden reeds ten tijde van de Republiek levende personen geëerd door wierook te branden, maar afgezien van deze enkele uitzondering offerde men alleen maar wierook aan goden of vergoddelijkte personen.

Het verbruik van wierook moet later in Rome bij begrafenissen zo groot zijn geweest dat Plinius (Nat. hist. XII, 82) kon beweren dat Arabia Felix meer te danken had aan de inferi dan aan de superi. Er zijn talrijke schilderingen van begrafenisplechtigheden waarbij grote hoeveelheden wierook en andere aroma ta op de brandstapel worden gelegd.

Bij funera publica spendeerde ook de staat of de gemeenschap wierook, soms in aanzienlijke hoeveelheden. Zo wordt bijvoorbeeld als verbruik bij de begrafenis van een edelman 50 pond (CIL XIV, 413,5), bij de begrafenis van een decurio 20 pond (CIL XIV, 321, 8), in een ander grafopschrift (CIL V, 337, 8) 3 pond wierook aangegeven, wat telkens uit openbare middelen beschikbaar werd gesteld.

Bij de begrafenisdienst voor een jonge man werd 20 pond wierook verbrand, naar men zei om de ouders te troosten (IG XIV 756, 16 uit Napels). De grootste overdaad staat echter op naam van Nero, in het jaar 65 bij de begrafenis van Poppaea Sabina. Plinius (Nat. hist. XII, 83) vertelt dat mensen die het weten konden hem verzekerd hadden dat Arabië in een heel jaar tijds niet zoveel wierook op kon brengen als keizer bij de begrafenis van zijn lievelingsvrouw liet verbranden.

De Christenen wezen offers aan de beeltenis van de keizer af, ook wanneer hun vaak als enige keuze bleef óf de wierook te branden, óf de weigering met de dood te bekopen. Als een Christen turificatus werd, d.w.z. wierook offerde aan de heidense goden, sloot hij zich met deze verfoeilijke daad uit van de christelijke gemeenschap.

Een Christen moest zich - zo schrijft Tertullianus (De idolatria I, 6) - wel zeer huichelachtig gedragen, wilde hij nog als wierookhandelaar optreden, aangezien zo iemand de demonen grote diensten bewees: het is namelijk eenvoudiger afgodendienst te bedrijven zonder afgods-beelden dan zonder de waren van de wierookhandelaar.

In de wierook die de Drie Wijzen uit het Oosten aan de pasgeboren Jesus brachten samen met de andere gaven ziet Tertullianus (De idolatria 9, 4) in zekere zin de afsluiting van het offer en de wereldlijke eer waaraan Christus zich later zou onttrekken.

Uit het unanieme getuigenis op talrijke plaatsen kan men opmaken dat zeer waarschijnlijk tot in de vijfde eeuw het gebruik van wierook in de christelijke eredienst verboden was, dit in tegenstelling tot de heidense riten. Nadien wordt er een verandering speurbaar in de opvattingen over de vraag of wierook al dan niet geoorloofd is, als men zich begint te bezinnen op die plaatsen in het Oude Testament waar het reukoffer als Gode welgevallig wordt beschouwd en men eraan herinnert dat aan Jesus na zijn geboorte wierook werd geofferd - ook al was men zich er natuurlijk terdege van bewust dat de vroege kerk-vaders volledig verschillende opvattingen over wierook hadden gekoesterd.

Zo wint de door de christelijke kerk aanvankelijk als heidens verworpen turificatio vanaf de vijfde eeuw in navolging van de Joodse en Romeinse cultus langzamerhand terrein in de christelijke riten, waarbij men echter de wierook niet als het offer zelf beschouwde maar eerder als een symbool daarvoor.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Vergelijkbare Blogs

Related Posts with Thumbnails