woensdag 3 maart 2010

De Egyptische Reis door het Dodenrijk

Ooit gingen Egyptenaren gewoon dood. Ze werden begraven in de nabije woestijn; hun lichamen vergingen daar niet maar droogden uit: het zand bleek conserverend te werken. Op een gegeven moment hield het daar niet mee op en moesten ze op reis naar het Egyptische dodenrijk, de Duat. Dat was een lange en gevaarlijke reis. Wilde die slagen dan was het van groot belang dat het lichaam van de gestorvene intact bleef. De doden kregen steeds meer gaven mee: voedsel en drinken, kostbare voorwerpen en beeldjes die als dienaren fungeerden. En de graven ontwikkelden zich van eenvoudige zandkuilen via graftombes naar grote piramides. Alles voor een veilige tocht met aansluitend een aangenaam leven.

Alleen als het fysieke lichaam bewaard bleef, had men kans op een leven na de dood. De nabestaanden brachten offerandes en hielden de naam van de overledene levend, en de dode zorgde dat hij of zij de juiste antwoorden gaf gedurende de reis door de onderwereld; elke naam, elk goed antwoord was een sleutel die toegang gaf tot het volgende gebied. De andere lichamen ba, ka en akh bleven regelmatig terugkeren naar het fysieke lichaam. Ontbrak die behuizing (die in uitzonderlijke gevallen ook een beeld kon zijn) dan kwamen ze spoken op aarde en vielen de levenden lastig.

Hoe wonderbaarlijk moet het zijn geweest om te ervaren dat lichamen in woestijnzand niet vergingen, maar uitdroogden en mummificeerden. In een wereld die vanwege de hitte en de modder heel gevoelig was voor rotting en vergankelijkheid, moest men naar een voor mensen moeilijk begaanbaar en vaak dodelijk gebied om lichamen te kunnen bewaren. In het rijk van de dood werd de voortgang van het leven verzorgd.

Egypte ligt vlakbij de Evenaar en bestaat uit een smalle strook zwarte grond die wordt geflankeerd door woestijn. De strook in het midden is zeer vruchtbaar dankzij de rivier de Nijl die elk jaar opzwelt, overstroomt en daarmee voedselrijke modder uit het zuiden over het land verspreidt. Verder van de Nijloevers af zie je slechts dorre, hete woestijn, goed voor weinig anders dan het begraven van de doden. Men wist precies wanneer de Nijl zou overstromen; begin juli, kort na het verschijnen van Sirius – de ster van Isis oftewel Isis zelf – boven de horizon, vlak voor zonsopgang. Zodra het licht van Sirius en dat van de zon, Re, weerkaatste in de edelsteen in het voorhoofd van Isis’ beeld te Denderah, brak het nieuwe jaar aan.

Het Egyptische rijk heeft duizenden jaren bestaan. Van zo'n drieduizend daarvan zijn overblijfselen overgeleverd bouwwerken en (vaak op die bouwwerken aangebrachte) geschreven bronnen. Sporen van het dagelijks leven zijn er relatief weinig; gewone huizen bouwde men van leem en die zijn in de loop der jaren weggespoeld of verwaaid. De tombes en graven daarentegen werden gemaakt van duurzamer materiaal zoals baksteen of natuursteen. De graven en zeker de piramides moesten tenslotte langer meegaan dan één aardse levensscyclus, ze waren bedoeld voor de eeuwigheid.

Alles draaide om cycli in het oude Egypte. Niet alleen de aardse landbouwcyclus, ook de cycli van zon, maan en sterren speelden een belangrijke rol. Het jaar was in Egypte verdeeld in drie seizoenen: het jaar begon begin juli met Axt (de vloedtijd wanneer de Nijl overstroomde), dan kwam het winterseizoen Prt (het Nijlwater loopt terug, het land komt tevoorschijn en er kan geplant worden), en het jaar sloot af met Shm (oogstseizoen en droge tijd). In de periode wanneer er geen landbouwwerk was, werd er gebouwd aan de dodensteden. Ook werd in die tijd veel aandacht besteed aan irrigatiekanalen en het herstel van de orde op de landbouwgrond (eigendomsafscheidingen bijvoorbeeld) ná de overstromingen.

Het hemelgewelf vormde een imponerende klok, die draaiend gehouden moest worden. De goden woonden tussen en wáren de sterren. Zo boven, zo beneden: wat zich op aarde afspeelde, was een afspiegeling, maar ook het resultaat van allerlei acties en onderhandelingen, offerandes en werkzaamheden om alle cycli soepel te laten verlopen, de goden tevreden te houden en de boel op orde te houden. Het streven was erop gericht die cycli ongestoord en soepel door te laten draaien.

De vruchtbaarheid van het land en zijn inwoners vormde een teken dat de cycli goed werden onderhouden, het gaf aan dat de banden tussen mensen en goden goed en sterk waren. De chaos die anders en altijd dreigde was dodelijk of op z'n minst ongemakkelijk.

Osiris, een van de bekendste Egyptische goden, was de zoon van hemelgodin Noet en aardegod Geb. Op zeker moment werd zijn lichaam verscheurd in veertien stukken verspreid over Egypte, waarbij elk deel een regio was. Iedereen die stierf en de juiste maatregelen nam en de reis naar het Dodenrijk volbracht, herenigde hemel en aarde met elkaar en herrees als Osiris uit de dood. Hij of zij werd Osiris en hield de vruchtbaarheid levend en de cyclus gaande.

Osiris was (ook) de eerste farao; dit geeft een idee van de eenheid die werd ervaren tussen het land en zijn bevolking. Ook het land was een levend wezen, bijvoorbeeld Geb of Osiris, afhankelijk van het moment en de mythe. De farao maakte ook deel uit van deze eenheid, bij leven maar ook na zijn dood, als hij een god, Osiris, was geworden tussen de andere hemelgoden.

De farao was verantwoordelijk voor het welzijn en de staat van het land. Met ‘land’ bedoel ik niet de staatsinrichting of de bevolking, ik bedoel het letterlijk, de grond en alles erop en erin. Hier bestond geen onderscheid in, tenminste niet zoals tegenwoordig ervaren wordt. Voerde de farao zijn dagelijkse rituelen niet correct uit en werden de offerandes niet gebracht zoals de bedoeling was, dan zou de chaos, die vanuit de woestijn en de moerassen in het noorden makkelijk kon toeslaan, het winnen van de orde.

Na de dood van de farao hield deze verantwoordelijkheid niet op, die werd alleen maar groter en anders. Hij kwam na zijn dodenreis terecht tussen de sterren waar hij woonde met de goden, en er zelf ook een was. Van daaruit bleef hij eeuwig meewerken aan het instandhouden van de orde in Egypte. Ook hier gold: zo boven, zo beneden.

De duat was de onderwereld, het gebied, de tunnel waardoorheen de zon reisde gedurende de uren van de nacht. Deze tunnel werd ook wel gezien als een godin die de zon en ook de gestorvenen inslikte met zonsondergang, waarna zon en de gestorvenen door haar lichaam reisden om de volgende ochtend (zon) danwel na verloop van tijd (gestorvene) herboren te worden in het Oosten. Het Westen was niet alleen het gebied waar het Dodenrijk, de Eeuwige Rietvelden zich bevond, het was ook de plek waar de doden rustten tot ze waren opgeladen voor een volgend leven of een volgende levensvorm. Zoals het zaad van het graan in de wintertijd ondergronds rust, tot het in het voorjaar opkomt en zich tot groene planten ontwikkelt.

De ba is het deel van de overleden mens dat de reis door de Duat maakt. Na het sterven werd er een strak protocol gevolgd. Eerst werd het dode lichaam behandeld ter mummificatie. De organen werden beschermd door de vier canopische goden (de Zonen van Horus, die kort gezegd een vorm was van Osiris) en hun vier godinnen.

Dan begon de dode de reis door de twaalf uren van de nacht: twaalf plekken met elk vier wachters. Om die te kunnen passeren, moest de dode zich hun macht eigen maken en die neutraliseren door het correct uitspreken van de namen.

Daarop volgde het oordeel van Osiris. Hij was de eerste die de dood had ervaren en het rijk der doden was binnengegaan. Wie dit oordeel van Osiris doorstond, werd zelf Osiris en leefde eeuwig in perfecte omstandigheden in de Eeuwige Rietvelden, een ideale afspiegeling van het aardse Egypte.

Zolang de Egyptenaren hun doden in het zand bleven begraven, mummificeerden de lichamen van nature en was leven in het hiernamaals eenvoudig bereikbaar. Mythen werden echter steeds meer gebruikt om de staatsmacht te legitimeren. Tegelijkertijd was het de taak van de machthebbers om met het vervullen van religieuze verplichtingen de mythen en religie levend te houden. Hierdoor leek het of alleen de farao, en later ook de beter gesitueerden, een leven in het hiernamaals zou kunnen bereiken. Maar de essentie was dat het aardse lichaam bewaard blijft, en dat kon eenvoudig door de doden te begraven in de woestijn. Een ander essentieel punt was dat bepaalde handelingen verricht en antwoorden gegeven moesten worden. Was de dode eenmaal geslaagd voor alle tests, dan transformeerden zijn ba en zijn ka tot de akh, waarmee de wedergeboorte was voltooid en het nieuwe leven in de onderwereld definitief begon.

De farao was het kind van de goden. Hij werd na zijn aardse sterven weer één met Osiris, hij werd opgenomen in de sterrenhemel. En uiteindelijk zou hij ook weer terugkeren op aarde. De dode, gemummificeerde farao lag op zijn rug, de blik (zijn wezen?) gericht op de plaats waar hij naartoe reisde en waarvandaan hij ooit terug zou keren op aarde, namelijk de sterrenhemel. Gewone stervelingen maakten een iets andere dodenreis, zij gingen westwaarts om na verloop van tijd in het oosten weer boven te komen. Zij lagen als mummie dan ook niet op hun rug, maar op hun zij. De dood was geen eindpunt maar maakte deel uit van de levenscyclus.

Bij mummificatie werden het lichaam en de organen van de oude Egyptenaren zorgvuldig geprepareerd voor de eeuwigheid, op de hersenen na. Die werden zo snel en grondig mogelijk uit de schedel verwijderd en weggegooid. Afval was het, alleen goed om snot te produceren. Niet zoals bij ons de zetel van het bewustzijn en de basis van ons wezen. Die centrale rol was in het oude Egypte weggelegd voor het hart: daar huisden wijsheid, emoties en het denken. Via het hart spraken de goden en verkreeg men kennis over hen en hun wil. Het was de zetel van de ziel.

Het totale wezen bestond volgens de oude Egyptenaren uit meerdere lichamen.
-De ba werd afgebeeld als een vogel met een mensenhoofd. Het was de ziel of de persoonlijkheid van de overledene. Deze kon vliegend het land der levenden bezoeken.
-De ka was de levenskracht die vorm had gekregen bij het ontstaan van het fysieke lichaam. De ka kon niet leven zonder het lichaam en offerandes van de nabestaanden.
-De akh was de onsterfelijkheid van de overledene. Deze werd actief na het uitvoeren van de juiste rituelen en kennis van de correcte spreuken en namen, na het goed doorlopen van de reis door het dodenrijk dus. Om dit proces goed te laten verlopen kregen de meer welgestelde overledenen spreukenboeken mee en werden de spreuken, namen en routebeschrijvingen op tombe- en piramidewanden getekend.

Welgestelde Egyptenaren namen geen genoegen met de eenvoud van een zandgraf en een ongerieflijke reis te voet door het dodenrijk. Zij zochten meer comfortabele manieren en wilden hun luxueuze leven voortzetten na de dood. Men nam van alles mee, van beeldjes die fungeerden als dienaren tot de boot die ze moest vervoeren, eten en drinken enzovoorts. Vanuit deze wens heeft de kunst van het mummificeren zich ontwikkeld. In feite was mummificatie een slap aftreksel van de natuurlijke mummificatie die plaatsvond in het woestijnzand. In het zand werd een lichaam neergelegd, en dat droogde volledig intact in. Bij mummificatie werd het lichaam opengesneden en er werden organen verwijderd, het risico van fouten gedurende dit proces was groot. Aan de andere kant beschermden de stenen tombes, die mummificatie noodzakelijk maakten, het lichaam en de meegegeven schatten tegen grafschenners.

Wie de naam kende van willekeurig wie of wat, had hem, haar of het in z'n macht; reden waarom het niet ongebruikelijk was om meerdere namen te hebben, waarbij de echte geheim bleef. In vele mythen speelt dit gegeven een rol. Het bekendste voorbeeld is de mythe van Ra en Isis, waarbij Isis zijn krachten aan Ra ontfutselde met een list ze had zijn werkelijke naam nodig om hem te genezen, nadat ze Ra zelf ziek had gemaakt. Deze werkelijke, geheime naam vormde de sleutel tot zijn macht en kracht.

Ra was toendertijd al zo oud dat hij kwijlde. Het kwijl droop uit de hemel. Isis mengde een paar druppels met klei en kneed een slang van dit mengsel. Met haar magische krachten bracht Isis de slang tot leven en verstopte het bij het pad dat Ra als de zon dagelijks aflegde. Al snel kwam Ra eraan met zijn gevolg van goden en dienaren. De slang beet Ra in z'n been. Ra voelde direct zijn krachten wegvloeien. Het slangengif brandde in zijn aderen. Zijn tanden klapperden en zijn ledematen schudden, het gif stroomde door zijn ledematen zoals elk jaar de Nijl over het land van Egypte.

Ra leed zo erg, dat hij de goden uit zijn gevolg smeekte om hem te helpen met hun toverkrachten. Hij vertelde over zijn vele krachtige namen, en dat zijn échte, geheime naam door zijn verwekker verborgen was in zijn lichaam zodat geen enkel magisch krachtwoord vat op hem kon hebben. Uiteraard was Isis de enige die begreep wat er gaande was. Zij vroeg Ra om zijn naam, alleen daarmee zou zij hem kunnen genezen.Ra vertelde nog eens hoe machtig hij was, dat hij de aarde en bergen had geschapen en dat hij de macht had over het stijgen van de Nijl. Hij noemde wat van zijn bekendere namen, maar daar trapte Isis niet in.

Uiteindelijk gaf Ra toe: "I will allow myself to be searched through by Isis, and will let my name come out from my body and pass into her body" Ra verborg zich voor de andere goden en Isis verrichtte het nodige werk met de hulp van haar zoon Horus. Ze sprak een magische spreuk uit om het slangengif te verwijderen uit het lichaam van Ra. Hiermee was hij genezen, maar ook al zijn macht en kracht kwijt. Die waren overgegaan in het lichaam van Isis.

Deze mythe maakt duidelijk hoe essentieel namen waren in het oude Egypte. Namen moesten dan ook levend gehouden worden, ook na de dood van de eigenaar. Dit gebeurde door de naam regelmatig te noemen, bijvoorbeeld in speciale rituelen. Ook werd de naam wel vastgelegd in tempel- of grafwanden, of in beeldjes. Het tegenovergestelde gebeurde overigens ook, om vermeende kwade krachten, concurrentie en dergelijke uit te schakelen. Vele namen, attributen (de voorwerpen waar je een beeltenis van een god(in) aan kunt herkennen) en andere dragers van krachten en machten zijn van tombewanden afgebeiteld of op andere wijze vernietigd.

Wie zich verdiept in esoterie, magie en westerse mysteriën komt als snel het oude Egypte tegen denk alleen al aan de Crowley Tarot waarvan de symboliek sterk Egyptisch georiënteerd is. De Grieken zijn schatplichtig aan de Egyptenaren. De kruisvorm van de vier windrichtingen die zo’n cruciale (pun intended) rol speelt in de westerse traditie, lijkt gebaseerd op het kruisvormige raamwerk van de Egyptische fysieke en spirituele landkaart.

De routebeschrijvingen en verzamelingen spreuken voor de reis naar de Duat zijn ook nu nog van grote waarde. Er zijn maar weinig niet-christelijke, oude tradities en natuurreligies zo omvangrijk en gedetailleerd vastgelegd. Wie inspiratie zoekt om eigen rituelen vorm te geven, andere manieren om tegen goden of kosmische krachten aan te kijken, kan hier zijn hart ophalen. Wie de mysteriën liefheeft en een sleutel zoekt: de wijsheid van het oude Egypte wacht nog altijd geduldig op wie horen wil en zien.

3 opmerkingen:

Vergelijkbare Blogs

Related Posts with Thumbnails