zondag 29 november 2009

Seth het Zwarte Zwijn

Het zogenaamde Dodenboek is een verzameling teksten, die, geschreven op papyrussen of op doodkisten, gevonden zijn in de graven. Geen uitgave is er bekend, die alle stukken bevat; de volgorde is dus samengesteld door vergelijking met vele voorbeelden.

De oude naam van deze teksten is: "Hoofdstukken over het Aanschouwen van het Levenslicht"; de moderne naam is: "Doodenboek", daar het klaarblijkelijk een handleiding is voor de behandeling van de dooden. Het bevat een serie gebeden, lofzangen, magische formulieren en toespelingen op mythologische verhalen, die men, naar men meende, noodzakelijk moest kennen om te ontsnappen aan de gevaren van het leven hiernamaals. Het is klaarblijkelijk zeer oud, want zelfs in de oudst bekende voorbeelden, de Pyramiden Teksten van de VIde dynastie, is de tekst dikwijls zeer gebrekkig. De Pyramiden Teksten vertoonen sporen van zeer primitieve gebruiken en eerediensten, waarvan er vele verloren gegaan zijn in de latere vormen van het Doodenboek.

De geschiedenis, die verhaald wordt onder de naam van het Zwarte Zwijn, heeft betrekking op een voorval in de oorlog tusschen Horus en Set en is nergens anders bekend. Waarschijnlijk waren er veel zulke legenden in omloop in het oude Egypte, maar weinig zijn er ongeschonden bewaard gebleven. Horus was de groote helden-god, en zooals bij de helden van andere landen het geval is, werden de legenden van andere kampioenen op hem overgedragen. Sommige van zijn heldendaden en avonturen schijnen zoo bekend te zijn geweest, dat een toespeling reeds voldoende was om ze de lezer in 't geheugen terug te roepen.

Somtijds wordt er een kort en voor ons verward verhaal gegeven, zooals in hoofdstuk CXIII van het Doodenboek, waarin verteld wordt, hoe Horus zijn handen en armen, die hij verloren heeft in een moeras, terugkrijgt, op een manier, die de modernen lezer weinig zegt.
Een groot aantal legenden zijn bewaard gebleven in magische papyrussen, maar zelfs onder deze is het aantal aanduidingen en toespelingen grooter dan het aantal complete legenden. Zoo staat er in de Demotische Papyrus te Londen en te Leiden een bezwering tegen koorts, die aldus begint: "Horus reed op een middag in het groene seizoen een heuvel op, gezeten op een wit paard. Hij treft de goden aan bij het eten en zij noodigen hem uit deel te nemen aan de maaltijd, maar hij weigert, omdat hij koorts heeft." Dit is alles, wat er gezegd wordt, maar het is klaarblijkelijk een zinspeling op een heel bekende geschiedenis.

De reden, waarom de stad Pé aan Horus gegeven werd, weet ik en zal ik u vertellen.

Er bestaat tusschen Horus en Seth vijandschap en haat, oorlog en strijd. Altijd duurt de strijd voort en de strijders gaan woedend te keer en de overwinning is nog door geen van beiden behaald, hoewel de Goden met Horus zijn.

Seth is listig en sluw en tracht meer door slimheid dan door moed en ervarenheid in de strijd te overwinnen, en verder bezit hij de macht een willekeurige gedaante aan te nemen, zoodat hij zoowel de menschen als de Goden misleiden kan. Deze macht bezit Seth, maar de macht van Horus is niet dezelfde; want de rechtschapenheid en de waarheid zijn eigenschappen van Horus; bedrog en valschheid worden bij hem niet gevonden. Wie in de blauwe oogen van Horus kijkt, kan daarin de toekomst weerspiegeld zien en zoowel de Goden als de menschen zoeken Horus op om te vernemen, wat de toekomst zal brengen.

Seth kwam te weten, dat Ra Horus raadplegen wilde en hem dunkte, dat dit een goede gelegenheid was Horus kwaad te doen, indien hij de gedaante aannam van een Zwart Zwijn.

Woest was zijn voorkomen, lang en scherp zijn slagtanden en zijn kleur was zwart als een onweerswolk; wild en kwaadaardig was zijn blik en vervulde de harten der menschen met vrees.

Toen kwam Koning Ra tot Horus en sprak tot hem, zeggende: "Laat mij in uw oogen zien en aanschouwen, wat er gebeuren zal." En hij keek in de oogen van Horus en hun kleur was die van de Groote Groene Wateren, wanneer de zonnelucht er zich in weerspiegelt. En terwijl hij keek, ging het Zwarte Zwijn voorbij. Ra wist niet, dat het de Booze God was en hij riep tot Horus: "Kijk eens naar dat Zwarte Zwijn! Nooit heb ik zoo'n groot en woest beest gezien".

En Horus keek: ook hij kende Seth niet in deze vreemde gedaante en dacht, dat het een wilde beer was uit de bosschen van het Noordelijke Land. Hij was dus niet meer op zijn hoede en weerloos tegen zijn vijand.

Toen wierp Seth een vuurstraal in het oog van Horus en Horus schreeuwde luid van de pijn, die veroorzaakt werd door het vuur en kermde hevig en riep: "Het is Seth en hij heeft mij vuur in de oogen geworpen".

Maar Seth was er niet meer, want hij had zich uit de voeten gemaakt en het Zwarte Zwijn werd niet meer gezien. En Ra vervloekte het zwijn om Seth en zeide: "Laat het zwijn door Horus verafschuwd worden".

En tot op dezen dag offeren de menschen het zwijn, wanneer de Maan vol is, omdat Seth, de vijand van Horus en de moordenaar van Osiris, zijn gedaante aannam om de blauwoogigen God kwaad te doen. En om deze reden zijn ook de zwijnehoeders onrein in het land van Egypte; nooit mogen zij de tempels betreden en aan de Goden offeren en hun zonen en dochters mogen niet huwen met de aanbidders der Goden.

En toen de oogen van Horus genezen waren, gaf Ra hem de stad Pé en hij gaf hem twee priester in de stad Pé en twee priesters in de stad Nekken om bij hem te zijn als eeuwige rechters.

Toen was het hart van Horus blijde en hij verheugde zich en door de blijdschap van Horus tooide de aarde zich met bloemen en onweerswolken en regen kwamen niet voor.

woensdag 25 november 2009

De Schorpioenen van Isis

Dit opschrift is gebeiteld op een rond-toeloopende stèle van marmer, geplaatst op een vierkant voetstuk. In het begin van de negentiende eeuw werd ze gevonden te Alexandrië en werd in 1828 door Mahomed Ali aan Prins Metternich ten geschenke gegeven. De voorzijde, de achterzijde en de zijkanten, zoowel van de stèle, als van het voetstuk, zijn bedekt met horizontale en vertikale regels schrift en met mythologische figuren.

De stèle behoort tot een klasse van amuletische voorwerpen, die gewoonlijk Cippi van Horus genoemd worden; ze zijn beschreven met bezweringen tegen alle dieren "die bijten met hun mond of steken met hun staart". Deze stèle is de grootste Cippus van Horus, die bekend is. Op de voorzijde is in hoog-relief het beeld van Horus uitgehouwen, die voorgesteld wordt als een naakt kind, staande op twee krokodillen en een leeuw, een gazelle, schorpioenen en slangen in zijn handen houdend. Hij staat in een tempel, waar het hoofd van Bes op staat. Isis en Thot, de godinnen van het Zuiden en van het Noorden en andere mythologische figuren en zinnebeelden bevinden zich binnen in en buiten op de tempel. Boven deze voorstelling zijn horizontale registers, gevuld met figuren, die mogelijk tooneelen voorstellen uit legenden, die nu verloren gegaan zijn.

De tekst, die de geschiedenis van de schorpioenen van Isis bewaart, is gegrift achter op het tablet. De stèle dateert ongeveer uit 370 v. C. onder de regeering van Necta-nebo I, van de XXXste dynastie.


Ik ben Isis, de groote Godin, de Meesteres van de Magica, de Zegster der tooverspreuken.

Ik kwam uit mijn huis, dat mijn broeder Seth mij gegeven had, want Thot, de tweemaal groote, die machtig in de waarheid is op aarde en in de hemel. Hij riep en ik kwam te voorschijn, toen Ra in volle glorie naar de westelijken horizon daalde en het avond werd.

En met mij kwamen de zeven schorpioenen en hun namen waren Tefen en Befen, Mestet en Mestetef, Petet, Thetet en Matet. Achter mij stonden Tefen en Befen; aan weerszijden bevonden zich Mestet en Mestetef; vóór mij waren Petet, Thetet en Matet, om den weg vrij te maken, opdat niemand mij zou belemmeren of hinderen. Ik riep luid tot de schorpioenen en mijn woorden klonken door de lucht en drongen in hun ooren: "Hoedt u voor de Zwarte, roep de Roode niet, kijk noch naar kinderen, noch naar eenig klein hulpeloos schepsel."

Toen trok ik door het land van Egypte, Tefen en Befen achter mij, Mestet en Mestetef aan weerszijden van mij, Petet, Thetet en Matet vóór mij; en wij kwamen te Per-sui, waar de krokodil God is en in de Stad van de Twee Sandalen, die de stad is der Tweeling-Godinnen. Hier beginnen de poelen en moerassen van het Noordelijke Land, waar velden met papyrusriet zijn en waar de moerasbewoners huizen; van hier tot aan de Groote Groene Wateren strekt zich het Noordelijke Land uit.

Toen kwamen wij bij huizen, waarin de moerasbewoners woonden en de naam van een der vrouwen was "Roem", ofschoon sommigen haar ook "Kracht" noemden. Zij stond voor haar deur en van ver zag zij mij aankomen, moe en afgemat als ik was, en ik zou gaarne hebben willen nederzitten in haar huis om te rusten. Maar toen ik op het punt was tot haar te spreken, sloot zij de deur dicht, want zij was bang voor de zeven schorpioenen, die mij vergezelden.

Ik trok verder en een der vrouwen opende haar deur voor mij en in haar huis rustte ik. Maar Mesten en Mestetef, Petet, Thetet en Matet en ook Befen kwamen bij elkaar en legden hun vergif op de angel van Tefen; zoo had de angel van Tefen zevenvoudige kracht. Toen keerde Tefen terug naar het huis van vrouw "Roem", die haar deur voor mij gesloten had; de deur was nog gesloten, maar tusschen de deur en den drempel was een nauwe opening. Door deze nauwe opening kroop Tefen en drong het huis binnen en stak met een angel van zevenvoudige kracht de zoon van vrouw "Roem". Zoo sterk en brandend was het vergif, dat het kind stierf en er brand uitbrak in het huis.

Toen riep en klaagde vrouw "Roem", maar niemand luisterde naar haar en de Hemel zelf zond water op haar huis. Een groot wonder was dit water van de Hemel, want de tijd voor de overstroomingen was er nog niet.

Zoo schreide en klaagde zij en haar hart was vol verdriet, toen zij zich herinnerde hoe zij voor mij de deur had dicht gedaan, terwijl ik, moede en afgemat als ik was, had willen rusten in haar huis. En haar klaagtonen drongen in mijn ooren en mijn hart zwol op van verdriet over haar verdriet en ik keerde terug en ging met haar naar de plaats, waar het doode kind lag.

En ik, Isis, de Meesteres van de tooverkunst, wier stem de dooden kan doen ontwaken, ik riep luid de Woorden, die Macht hebben, de Woorden, die zelfs de dooden kunnen hooren. En ik legde mijn handen op het kind, opdat ik het Leven mocht terugroepen in het levenlooze. Koud en stil lag het neder, want het zevenvoudig vergif van Tefen was in hem. Toen sprak ik tooverspreuken tot het vergif van de schorpioenen, zeggende: "O vergif van Tefen, verlaat hem en val op de grond! Vergif van Befen, ga niet voort, dring niet verder door, verlaat hem en val op de grond! Want ik ben Isis, de groote Toovenares, de Zegster van tooverspreuken. Val neer, o vergif van Mestet! Haast u niet, vergif van Petet en Thetet! Nader niet, vergif van Matef. Want ik ben Isis, de groote Toovenares, de Zegster van tooverspreuken. Het kind zal leven, het vergif zal sterven! Zooals Horus sterk en gezond is voor mij, zijn moeder, zoo zal dit kind sterk en gezond zijn voor zijn moeder!" Toen werd het kind beter en het vuur werd gebluscht en de regen hield op. En vrouw "Roem" bracht al haar rijkdom, haar armbanden en haar halssieraden, haar goud- en zilverwerk naar het huis van de moeras-vrouw en legde ze neer aan mijn voeten als teeken van berouw, dat ze de deur voor mij gesloten had, toen ik, moede en afgemat, aan haar huis gekomen was.

En tot op de huidigen dag maken de menschen deeg van weitenmeel, vermengd met zout, en leggen het op de wonde, die veroorzaakt is door de steek van een schorpioen, en dan zeggen zij de Tooverwoorden op, die ik uitsprak over het kind van vrouw Roem, toen het zevenvoudige vergif in hem was. Want ik ben Isis, de groote Toovenares, de Meesteres van de tooverkunst, de Zegster der tooverspreuken

donderdag 19 november 2009

Osiris & Seth

De verhandeling over Isis en Osiris werd door Plutarchus, zelf een ingewijde in de Osiris-mysteriën, geschreven aan een medeingewijde, een vrouw, Klea genaamd. Dit werd in de tweede eeuw v. C. geschreven te Delphi. Het is het eenige samenhangende verhaal, dat er overgebleven is van de dood van Osiris en de omzwervingen van Isis. Ofschoon het van zoo laten datum is, heeft men gevonden, dat het over het geheel juist is, wanneer men het vergelijkt met de opschriften en beeldhouwwerken uit de tijden van de Pharao's.

Het zoogenaamde Ritueel van Denderah is onze voornaamste bron voor de aanbidding van Osiris in de voornaamste tempel van Egypte bij gelegenheid van de feesten in de maand Khoiakh. Het Ritueel is gebeiteld op de muren van de tempel van Denderah en geeft lot in bijzonderheden de plechtigheden, die in gebruik zijn, weer, tot zelfs de afmeting en het materiaal van de symbolische voorstellingen. Het opschrift dateert uit het Ptolemeïsche tijdperk, maar het Ritueel is aanzienlijk veel ouder.

"Mysterie-spelen" naar aanleiding van de dood van Osiris en van de overwinning van Horus op Set schijnen bij zekere groote gelegenheden gehouden te zijn in de voornaamste centra van godsdienst. De voornaamste rol was die van Horus, die in de hoofdstad werd vervuld door de Pharao zelf en in de provincies door de plaatselijke notabelen.

In de beginne vervloekte Ra Nut en zijn vervloeking bestond hierin, dat geen harer kinderen geboren zou worden op eenigen dag van eenig jaar. En Nut smeekte Thot om hulp, Thot, die haar lief had, de god van de tooverkunst, de geleerdheid en de wijsheid, hem, dien de Grieken Hermes Trismegistus noemden. Ofschoon de vervloeking, die eens door de grooten God Ra geuit was, nimmer herroepen kon worden, opende Thot door zijn wijsheid een uitweg. Hij begaf zich naar den Maangod, wiens luister bijna gelijk was aan dien van de Zon zelf en daagde hem uit tot een dobbelspel. Groot was de inzet aan beide zijden, maar die van de Maangod was het grootst, want hij verwedde zijn eigen licht. Spel na spel speelden zij en altijd was het geluk aan de zijde van Thot, totdat de Maan niet meer wilde spelen. Toen verzamelde Thot het licht, dat hij gewonnen had en door middel van zijn macht en grootheid verdeelde hij het over vijf dagen. En sedert dien tijd heeft de Maan geen licht genoeg om de heele maand te schijnen, maar neemt af, totdat hij geheel duister is en groeit dan weer langzaam aan tot zijn vollen glans; want het licht van vijf heele dagen was hem afgenomen. En deze vijf dagen plaatste Thot tusschen het eind van het oude jaar en het begin van het nieuwe, zoodat hij ze afgescheiden hield van beide; en op deze vijf dagen werden de vijf kinderen van Nut geboren: Osiris op de eersten dag, Horus op de tweeden, Seth op de derden, Isis op de vierden en Nephthys op den vijfden. Zoo werd de vervloeking van Ra tegelijk vervuld en te niet gedaan, want de dagen, waarop de kinderen van Nut geboren werden, behoorden tot geen jaar.

Toen Osiris geboren werd, werden er teekenen en wonderen gezien over de geheele wereld, want een stem weerklonk over de geheele aarde: "De Heer van het Heelal komt tot het licht". En een vrouw, die water putte op het heilige voorplein van de tempel, werd vervuld met een goddelijke inspiratie en snelde weg, roepende: "Osiris, de Koning is geboren".

Nu was Egypte een barbaarsch land, waar de menschen elkaar bevochten en menschenvleesch aten; niets wisten zij van de goden, wetteloos waren zij en onbeschaafd. Maar Osiris werd Koning van Egypte en hij toonde zijn volk, hoe zij het land moesten bebouwen en koren zaaien en de wijnstok planten en hij leerde hun, welke eer zij de Goden verschuldigd waren, en maakte wetten en vernietigde hun barbaarsche en onbeschaafde gebruiken. Waarheen hij zich begaf, boog het volk voor hem neer, want zij hadden tot zelfs de grond lief, waarop zijn voeten traden; en wat hij ook voorschreef, zij deden het. Zoo regeerde Osiris over de Egyptenaren; met ontrolde banieren en klinkende muziek trok hij uit Egypte, ten einde alle landen onder zijn scepter te brengen.

Maar Seth haatte zijn broeder Osiris en hij verzamelde twee-en-zeventig samenzweerders; en onder hen bevond zich Aso, koningin van Ethiopië. En zij vatten het plan op, dat, wanneer Osiris terugkeerde, zij hem zouden dooden en Seth op de troon zetten; maar zij hielden hun plannen geheim en trokken Osiris met vriendelijke gezichten tegemoet, toen hij Egypte in triomf weer binnentrok. In het verborgen hielden zij telkens samenkomsten, in het verborgen ook brachten zij een kist in gereedheid, gemaakt van kostbaar hout, beschilderd en versierd met rijke teekeningen en gloeiende kleuren, een mengeling van tinten en een overvloed van kunstig handwerk, zoodat allen, die ze zagen, verlangden ze in hun bezit te hebben. Seth, de Booze, had in het geheim de maat genomen van het lichaam van Osiris en de kist was zoo gemaakt, dat het lichaam van de Koning er in paste, want dit behoorde tot het plan.

Toen alles gereed was, noodigde Seth zijn broeder en de twee-en-zeventig samenzweerders uit op een feest in zijn groote feesthal.

Toen het feest voorbij was, zongen zij het lied van Mancros, zooals de gewoonte was, en slaven boden ronde bekers wijn aan en wonden bloemkransen om de hoofden der gasten en stortten reukwerken over hen uit, totdat de feestzaal doortrokken was van heerlijke geuren. En terwijl er vreugde heerschte, traden er slaven binnen, die de kist droegen, en alle gasten uitten een kreet van bewondering op het zien van haar schoonheid.

Toen stond Seth op van zijn zitplaats en zeide: Hem, die in deze kist gaat liggen en die er in past, zal ik haar geven. Zijne woorden waren honigzoet, maar in zijn hart was de bitterheid van het kwade.

Eén voor één gingen de samenzweerders onder gescherts en gelach in de kist liggen; de een was zij te lang, een ander was te kort, een derde was zij te wijd en een vierde te nauw.

Toen was de beurt aan Osiris en geen kwaad vermoedend legde hij er zich in neer. Plotseling pakten de samenzweerders het deksel beet en sloegen het dicht; eenigen spijkerden het stevig vast, terwijl anderen gesmolten lood in alle openingen goten, opdat hij niet zou kunnen ademen en leven. Zoo stierf de groote Osiris, die Unnefer, de Zegevierende, wordt genoemd, en na zijn dood kwam hij in de Duat en werd Koning der Dooden en Heerscher over hen, die in het Westen wonen.

De samenzweerders hieven de kist, die nu een doodkist was, op en droegen haar naar de rivier. Zij slingerden haar ver in het water en Hapi, de Nijl-god, ving haar op en droeg haar op zijn stroom naar de zee; de Groote Groene Wateren namen haar op en de golven droegen haar naar Byblos en lichtten haar in de tamarinde, die aan het strand groeide. Toen groeiden er uit de boom groote takken, die bladeren en bloemen droegen, ten einde een geschikte rustplaats voor de God te vormen en de faam van zijn schoonheid verbreidde zich door het geheele land.

In Byblos regeerde Koning Malkander en zijn vrouw, Koningin Athenaïs. Zij gingen naar het strand om de boom te zien, want niets kon men zien dan bladeren en bloesems, die de kist voor het oog verborgen. Toen gaf Koning Malkander bevel, dat de boom omgehakt en naar het Koninklijke paleis gebracht zou worden. Iedereen was verbaasd bij het zien van haar schoonheid, ofschoon niemand wist, dat ze het lichaam van een God bevatte.

Isis was buitengewoon bevreesd voor Seth. Zijn vriendelijke woorden misleidden haar niet en zij kende zijn vijandschap jegens Osiris, maar de groote Koning wilde niet gelooven aan de slechtheid van zijn broeder. Toen de ziel van Osiris het lichaam verliet, wist Isis terstond, dat hij dood was, hoewel geen mensch het haar verteld had. Zij nam haar zoontje, die Harpocrates of het Kind Horus genoemd wordt en vluchtte met hem naar de moerassen van de Delta en verborg hem in de stad Pé. Oud en grijs was de stad Pé en ze stond op een eiland; daar woonde de godin Uazet, die ook Buto en Latona genoemd wordt, want zij wordt aangebeden onder vele namen. Uazet nam het kind onder haar bescherming en Isis maakte door haar goddelijke macht het eiland los en het dreeft op de oppervlakte der Groote Groene Wateren weg, zoodat niemand kon zeggen, waar het te vinden was. Want zij vreesde de macht van Seth, die het kind zou kunnen vernietigen, zooals hij de vader vernietigd had.

Daar de zielen der menschen geen rust kunnen vinden, voordat de begrafenisplechtigheden zijn vervuld en de begrafenisoffers zijn gebracht, reisde zij eenzaam en alleen om het lichaam van haar echtgenoot te zoeken en het te begraven volgens zijn rang en grootheid. Vele menschen ontmoette zij, zoowel mannen als vrouwen, maar niemand had de kist gezien en in deze zaak hielp haar macht niet. Toen bedacht zij, het aan de kinderen te vragen en dadelijk vertelden zij haar van een beschilderde kist, die in de Nijl dreef. En tot op dezen dag hebben de kinderen een profetische kracht en kunnen de wil van de Goden verklaren en de dingen, die nog zullen komen, vooruitzien.

Zoo kwam Isis, steeds de kinderen ondervragend, te Byblos. Zij zat aan Groote Groene Wateren en de maagden van Koningin Athenaïs kwamen baden en spelen in de golven. Toen sprak Isis tot haar en vlocht haar haren en maakte haar juweelen vast; de adem van de Godin was zoeter dan de geuren van het Land Punt en hij deelde zijn geur mede aan het haar en de juweelen en de kleeren van de maagden. Toen zij terugkwamen in het paleis, vroeg Koningin Athenaïs haar, hoe zij dat reukwerk hadden gekregen en zij antwoordden: "Eene vrouw, vreemd en bedroefd, zat aan het strand, toen wij gingen baden en zij vlocht onze haren en maakte onze juweelen vast en van haar kwam het reukwerk, hoewel wij niet weten hoe." Koningin Athenaïs ging naar het strand om de vreemde vrouw te zien en sprak met haar en zij praatten met elkaar zooals moeders praten, want ze hadden beiden een zoontje; de zoon van Isis was ver weg en de zoon van Athenaïs was doodziek.

Toen stond Isis, de Machtige in de Tooverkunst, de bekwame Genezende op, en zeide: "Breng mij bij uw zoon!" Samen keerden de Godin en de Koningin terug naar het paleis en Isis nam de kleine Diktys in haar armen en zeide: "Ik kan hem sterk en gezond maken; maar op mijn eigen wijze wil ik het doen en niemand mag er zich mede bemoeien."

Iederen dag verbaasde Koningin Athenaïs zich over haar zoon. Van een klein, schreiend kind werd hij een sterke en gezonde jongen, maar Isis sprak geen woord en niemand wist, wat zij deed. Athenaïs ondervroeg haar maagden en zij antwoordden: "Wij weten niet, wat zij doet, maar dit weten wij, dat zij hem voedt en 's nachts grendelt zij de deuren toe van de zaal, waar de zuil staat, en stapelt houtblokken op het vuur en wanneer wij luisteren, kunnen wij niets hooren, dan het gesjilp van een zwaluw."

Athenaïs was vol nieuwsgierigheid en verborg zich 's nachts in de groote zaal en keek toe, hoe Isis de deuren grendelde en de houtblokken op het vuur stapelde, totdat de vlammen hoog oplaaiden. Toen maakte zij, voor het vuur zittend, een open ruimte tussen de vlammende houtblokken, een open ruimte, die gloeiend rood was en in die ruimte legde zij het kind en zich in een zwaluw veranderend, vloog zij om de zuil, treurend en klagend, en het geklaag was als het gesjilp van een zwaluw. Koningin Athenaïs uitte een kreet en greep het kind uit het vuur en keerde zich om, om te vluchten. Maar vóór haar stond Isis, de Godin, groot en verschrikkelijk.

"O dwaze moeder!" sprak Isis. "Waarom greept gij het kind? Slechts een paar dagen nog en alles, wat sterfelijk was in hem, zou verteerd zijn door het vuur en hij zou geweest zijn gelijk de Goden, onsterfelijk en eeuwig jong".

Een diepe eerbied beving de Koningin, want zij wist, dat zij een van de goden aanschouwde. Zoo nederig mogelijk smeekten zij en Koning Malkander de Godin, een geschenk aan te nemen. Al de rijkdommen van Byblos werden voor haar uitgespreid, maar zij waren haar onverschillig.

"Geeft mij", zeide zij, "wat deze zuil bevat en ik zal tevreden zijn".

Dadelijk werden werklieden ontboden, ze haalden de zuil omver, hieuwen ze open en lichten de kist er uit. En Isis nam welriekende specerijen en geurende bloesems, deze strooide ze over de zuil, wikkelde ze toen in fijn linnen en gaf ze aan de Koning en de Koningin. En alle menschen uit Byblos aanbidden ze tot op dezen dag, omdat ze eens het lichaam van een God bevatte.

Maar Isis nam de kist mede op een boot en zeilde weg van Byblos en toen de golven van de rivier Phaedrus, opgezeept door de wind, de kist dreigden weg te spoelen, deed zij het water opdroogen door haar tooverspreuken. Toen, op een eenzame plaats, opende zij de kist en het gezicht van de doode God aanschouwend, treurde en klaagde zij.

Nu zeggen sommigen, dat, toen Isis Byblos verliet, ze Diktys medenam en dat hij uit de boot viel en verdronk. Anderen zeggen, dat haar geweeklaag zoo vreeselijk klonk in zijn bittere smart, dat zijn hart brak en hij stierf. Maar ik denk, dat hij in Byblos bleef, en omdat hij gelegen had in de armen der Goddelijke Moeder en door het reinigend vuur was gegaan, groeide hij op tot een groot en edel Koning, die zijn volk met wijsheid regeerde.

Toen verborg Isis de kist en reisde naar de stad Pé, op het drijvende eiland, waar haar zoontje Harpocrates veilig was onder de hoede van Uazet, de Godin van het Noordelijke Land. En terwijl zij weg was, kwam Seth om op wilde beren te jagen met zijn honden. Hij joeg bij maanlicht, want hij hield van de nacht, wanneer alle slechte demonen te voorschijn komen; en de lucht was vervuld met het geschreeuw en het hallo der jagers en het geblaf der honden, die hun prooi achterna joegen. En toen Seth voorbijrende, zag hij de geschilderde kist, waarvan de kleuren glinsterden en schitterden in den maneschijn. Op dat gezicht kwamen haat en toorn over hem gelijk een roode wolk en hij raasde als een panter uit het Zuiden. Hij sleepte de kist van de plaats, waar zij verborgen was, en brak ze open; hij greep het lichaam en scheurde het in veertien stukken en door zijn machtige en goddelijke kracht strooide hij de stukken door het land Egypte. En hij lachte en zeide: "Het is niet mogelijk het lichaam van een God te vernietigen, maar ik heb het onmogelijke gedaan: ik heb Osiris vernietigd". En zijn gelach weerklonk door de wereld en zij, die het hoorden, vluchtten en beefden.

Toen Isis terugkeerde, vond zij niets dan de vernielde kist en wist, dat Seth dat gedaan had.

Haar zoeken moest nu weer opnieuw beginnen. Zij nam een kleine sloep, gemaakt van papyrusstengels, die samengevoegd waren, en zeilde door de moerassen, om de stukken van Osiris' lichaam te zoeken, en al de vogels en dieren gingen met haar om haar te helpen; en tot op de huidigen dag zullen de krokodillen geen boot aanraken van papyrusstengels, want zij denken, dat het de moede Godin is, die nog altijd aan het zoeken is.

Machtig en listig was haar vijand en alleen door beleid kon hij overwonnen worden; daarom bouwde zij, overal waar zij een deel van het goddelijke lichaam vond, een prachtig grafmonument en vervulde de begrafenisplechtigheden, alsof zij het lijk daar had begraven. Maar in werkelijkheid nam zij de stukken mede, en toen zij na lange omzwervingen ze alle gevonden had, vereenigde zij ze alle weer tot één lichaam door de groote kracht van haar tooverkunst.

Want, wanneer Horus het Kind opgegroeid zou zijn tot een man, dan zou hij vechten met Seth en zijn vader wreken; en nadat hij de overwinning zou behaald hebben, zou Osiris weer levend worden.


Maar tot op dien dag zal Osiris in de Duat wonen, waar hij de Dooden even wijs en edel regeert als hij het de levenden deed, toen hij nog op aarde was.

Want, ofschoon Horus met Seth strijdt en de gevechten hevig woeden, is er nog geen beslissende overwinning behaald en is Osiris nimmer op aarde teruggekeerd.

zaterdag 14 november 2009

De Droom van Thothmes

Het onderstaande verhaal is opschrift welke is gebeiteld op een rond-toeloopende stèle van rood graniet, van viertien voet hoog, die staat in een kleine tempel, welke ligt tussen de voorpoten van de Groote Sphinx

De tempel werd in 1817 uitgegraven door Kapitein Caviglia. Hij vormt het eind van een processie-weg, die naar beneden voert langs geplaveide wegen en trappen van de rand der woestijn af naar het heiligdom. De kleine tempel is slechts tien voet lang en vijf breed en aan het verste eind, met de achterkant naar de borst van de Sphinx gekeerd, staat deze stèle. Boven het opschrift, dat in horizontale regels geschreven is, staat een afbeelding, links en rechts herhaald, van de koning, die water plengt en wierook brandt voor het beeld van een Sphinx, liggende op een pylone of altaar. De benedenste helft van de stèle is zoo beschadigd, dat het opschrift of vernield of onleesbaar is.

Het opschrift bedoelt te zijn uit de tijd van Thotmes IV, een koning van de XVIIIste dynastie, ongeveer 1400 v. C., opgericht door diens monarch als een dankoffer.
Maar uit de taal, waarin het opschrift is gesteld, blijkt duidelijk, dat het uit een veel lateren tijd moet zijn; Erman rekent, dat het dateert uit een periode tusschen de XXIIIde en XXIVste dynastie. Het kan echter ook een nieuwe weergave van een vroeger verhaal zijn, hoewel van het vroeger opschrift niets is overgebleven.


Lang, lang geleden leefde Thothmes, koning van Egypte; hij was heer van de twee landen, drager van de dubbele kroon, bemind door de Goden. Hij was niet die Thothmes, de machtige Stier, die Syrië en Nubië veroverde en de negen stammen der boogschutters overwon. Maar hij droeg denzelfde naam en was een groot en dapper koning; Syrië boog voor hem, Nubië was zijn slaaf en hij zette zijn voet op de nek van de negen stammen der boogschutters. Als kind geleek hij op Harpocrates, de zoon van Isis, die geboren was in de moerassen van het noordelijke land. Hij was schoon als een God en had een gestalte als Horus, de wreker van zijn vader.

In alle mannelijke lichaamsoefeningen muntte hij uit; hij maakte jacht op het wild gedierte in de woestijn, zoowel ten noorden als ten zuiden van Memphis, hij vervolgde de leeuwen en herten, hij schoot met pijlen op de schijf, hij reed in een zegekar en zijn paarden waren sneller dan de wind. Hij joeg alleen of slechts met twee metgezellen, en niemand kende het pad, dat hij zou volgen, want in de woestijn woont niemand, behalve de wilde dieren.

Wanneer zijn dienaren rust noodig hadden gedurende de hitte van de dag, nam hij ze mee naar het groote beeld van Harmachis dicht bij Eher-Aha, waar de weg van de God oostwaarts voert naar On. Dit grootsche beeld was van steen, gehouwen uit de levende rots; zijn gelaat was het gelaat van een man, ernstig en majestueus, dat gekeerd was naar de opgaande zon; zijn lichaam was het lichaam van een leeuw; op zijn voorhoofd bevindt zich de doodaanbrengende slang, met haar kop rechtop, gereed op haar toe te schieten. De menschen noemen dit beeld Harmachis en de Sphinx en de "vader der verschrikkingen". Groot en verheven is dit beeld van de God, rustend op zijn uitgezochte plaats; groot is zijn macht, want de schaduw van de zon valt op hem. De tempels van Memphis en de tempels van elke stad aan weerszijde er van vereeren het, zij strekken hun handen vol aanbidding naar hem uit en offers en plengingen worden hem gebracht.

Eens, voordat Thothmes nog koning was, voordat hij de troon van Horus, de Levende, had bestegen, gebeurde het, dat hij alleen op jacht was in de woestijn en het was op het midden van de dag. De hitte was fel en de zonnestralen verblindend en hij rustte in de schaduw van de grooten God. En terwijl hij zoo rustte, vermoeid en verhit, in de koelte van de schaduw, viel hij in een zwaren en diepen slaap juist op het oogenblik, dat de zon het zenith bereikte.

Zoo sliep hij in het middaguur en in zijn slaap droomde hij en kreeg hij vizioenen. In zijn droom stond hij voor het reusachtige beeld van de God, maar het was niet langer van steen, want ziet, het was de God zelf. Er was leven in hem, zijn lippen bewogen en hij sprak met vriendelijke woorden, zooals een vader spreekt tot zijn kind, want de woorden bevatten een zegen.

"Zie nu, o mijn zoon Thothmes", sprak hij, zie mij aan, aanschouw mij. Ik ben uw vader, ik, die Harmachis en Ra en Khepera en ook Atmu ben. Want ik ben de Zonnegod, aan wien alle landen zijn onderworpen. Door mij alleen zal het koninkrijk Egypte u ten deel vallen; gij zult de witte kroon van het Zuidelijke Land en de roode kroon van het Noordelijke Land dragen, gij zult zitten op de troon van Geb, de erfgenaam. Aan u zal het geheele land in zijn lengte en breedte toebehooren, dat land, hetwelk de alleenheerschende Koning beroemd zal maken. Gebrek zal nimmer uw deel zijn, geen ongeluk zal u treffen, want geschenken zullen u gebracht worden uit alle landen, van nabij en ver, uw leven zal vele jaren duren; mijn aangezicht zal tot u gekeerd zijn en mijn hart zal zich tot u neigen, indien gij voor mij doen wilt datgene, wat ik van u zal verlangen.

En Thothmes keek en zag, dat het beeld half begraven lag in het zand en het leek, alsof de God worstelde om zich vrij te maken, want niets dan zijn hoofd stak uit boven de vlakte en het zand verhief zich om hem als de golven van de zee, wanneer zij een schip verzwelgen, dat op de rotsen geloopen is.

Toen sprak de God opnieuw en zeide: "Het zand van de woestijn, waarop ik rust, omgeeft mij, het overstelpt mij, het bedekt mij. Haast u te doen, wat mijn hart begeert, want ik weet, dat gij een zoon zijt, die de bevelen van zijn vader zal opvolgen".

De slaap ontvlood de oogleden van Thothmes en hij werd wakker.

donderdag 5 november 2009

Horoscoop duiding

Van kinds af aan heb ik me altijd verdiep in Astrologie. Ik ben er als het ware mee opgevoed. Astrologie zit in m’n genen, in m’n ziel en in m’n geest. Ik moet me soms inhouden en mijn tong afbijten, om niet te vragen onder welke gesternte iemand is geboren.

Ik oriënteer me dus graag aan hand van de sterren. Ook alle oude culturen oriënteerden zich aan de hand van de sterrenhemel. Door mijn kennis van astrologie kan ik sommige gebruiken van oude culturen begrijpen, daarom blijf ik me verdiepen in astronomie en astrologie. Dat is op zich een hele studie, die jaren in beslag kan nemen, tenminste als je het grondig wilt doen, daar ben ik me bewust van.

Astrologie is dan ook iets wat me altijd bezig houdt. Het zit als het ware in mijn bloed. Het maken en duiden van horoscopen is voor mij dan ook een fijne bezigheid. Het duiden van een horoscoop lijkt op zich een heel werkje, dat wel enige tijd in beslag kan nemen. Bovendien vergt het een hoop kennis om alles juist te interpreteren en te kunnen uitleggen, voor mij is het echter pure ontspanning.

Een horoscoop zonder uitleg is tegenwoordig vrij gemakkelijk op het internet te verkrijgen. Je hoeft hier niet meer voor te doen dan je geboortedatum, geboorte uur en geboorteplaats in te geven en er ontstaat een merkwaardige tekening op het scherm. Een cirkel in de vorm van een gradenboog, gevulde met, voor de buitenstaander, allerlei vreemde symbolen, verbonden door rode en groene lijnen. Hieronder een ziet u het resultaat van een geboorte horuscoop, die op het internet is verkregen.

Is het niet wonderlijk? Vroeger zat je als astroloog minstens een uur te rekenen en nu is het een druk op de knop en wala, daar rolt een horoscoop over het scherm.

Dubbel klik op de afbeelding om hem in groot formaat te zien.

Wat bij deze blog, bij deze bovenstaande cirkel, nu alleen nog ontbreekt is de duiding ervan. Maar ook dat kan via het internet worden verkregen. Behalve een astroloog zou een leek in astrologie immers ook graag willen weten wat die lijnen en symbolen betekenen.

Ik vraag me alleen af of je uit een computer gegenereerde horoscoop hetzelfde kan lezen als uit een horoscoop geduid door een astroloog. Daarom wil ik experiment uit halen en de lezers, met verstand van astrologie, uitnodigen om bovenstaande horoscoop te duiden. U mag als u een volledige duiding teveel vindt, ook een enkele aspekten of huizen duiden.

De binnengekomen duidingen ga ik vervolgens vergelijken met de computeruitdraai van de duiding van deze horoscoop. Voor dat ik de computer uitdraai heb gemaakt heb ik zelf eerst een handmatige duiding gemaakt, deze neem ik ook mee in de eind vergelijking.

Het doel hier van is om te ontdekken of computer gegegnereerd horoscopen en computer duidingen het zelfde vertellen als duidingen gedaan door mensen hand.

Ik zelf ben van mening dat een computer nooit van de duiding door een astroloog kan winnen. Mocht iemand deze uitdaging aan willen gaan, laat dan even weten wat u in bovenstaande horoscoop ziet, (middels het commentaar veld of via het mail adres van sterzoeker). Ik ben heel benieuwd naar wat de sterren u over deze horoscoop vertellen.

Het resltaat van dit onderzoek wordt later opgenomen in deze blog.

.:._______________________________________________________.:.
Laat uw reactie, vraag of opmerking achter, door in onderstaande zin, op het woord reacties dubbel te klikken.

dinsdag 27 oktober 2009

De Toren van Babel

Vandaag was ik op internet iets aan het zoeken ten behoeve van een mysteriespel, maar onderweg bleef ik hangen, bij een foto van het Europees Parlementsgebouw, in Straatsburg. Het gebouw deed mij ergens aan denken. Opeens wist ik het. Het gebouw lijkt verdomt veel op de toren van Babel. Eerst dacht ik, dat heb ik weer. Ik zie iets wat waarschijnlijk niemand ziet. Ik moet dit los laten en verder gaan met hathor, want daar waren we mee bezig. Het Europees Parlementsgebouw in Straatsburg liet mij echter niet los en ik ben op onderzoek uit gegaan of ik er iets over kon vinden.

Het was blijkbaar ook andere mensen opgevallen dat Europees Parlementsgebouw in Straatsburg op de toren van babel lijkt en her en der wordt er op het internet over geschreven en blijkbaar is het Europees Parlement zich zelf ook van de gelijkenis bewust want ze maken dankbaar gebruik van deze gelijkenis in reclamecampanges voor het Europees Parlement.

Toen ik naar bovenstaande afbeelding keek rees bij mij de vraag: Vraagt niemand zich dan af waarom ze de Toren van Babel gebruiken om die ‘vereniging’ voor te stellen? Waarom staan de sterren die de landen voorstellen allemaal op hun kop? Ik vraag me af gebruikt men bewust deze sterke symbolen en is dit van te voren zo bedacht of kwam deze gelijkenis later toevallig goed van pas? Wat zou deze symboliek kunnen betekenen? Wie het weet mag het zeggen.

Een creatieveling heeft zelfs een fotobewerking gemaakt van het Europees Parlementsgebouw en deze samengevoegd met een bekend schilderij van de toren van Babel. Deze overlappen elkaar wonderwel.

Hier het schilderij, van Pieter Brueghel de oude uit 1563, onversneden.

Wikipedia over de Toren van Babel:
De toren van Babel is een bouwwerk gekend uit de bijbel dat refereert aan de Babylonische ziggoerats. Volgens het Bijbelboek Genesis (hoofdstuk 11, vers 1-9) was Babel de eerste stad die de nakomelingen van Noach bouwden in de vlakte van Sinear. Hun leider was Nimrod en onder zijn bewind wilde men een toren bouwen die ‘tot aan de hemel’ zou reiken.

Om de macht van dat ongedeelde volk te beperken, dat tegen Gods bevel in bijeenbleef, verwarde Hij hun taal en verspreidde hen over de hele aarde. Zo kwam het dat de toren en de stad niet afgebouwd werden. Volgens de bijbel is dit ook de reden waarom de stad Babel genoemd werd. (In het Hebreeuws betekent Balal “verwarren”.) Uit deze ontstaansgeschiedenis van de talen is de uitdrukking ‘Babylonische spraakverwarring’ (een situatie waarin allen door elkaar praten en niemand er meer wijs uit wordt) voortgekomen.

De geschiedenis van het grote Babylon in het boek Openbaring vindt haar oorsprong in de oude stad Babel in het land Sinear. ( Mesopotamië). Deze stad die de Grieken Babylon noemden, wordt voor het eerst genoemd in Genesis.

Genesis 10: 8-9-10 En Kusch verwekte Nimrod; deze was de eerste machthebber op aarde; hij was een geweldig jager voor het aangezicht des Heren… En het begin van zijn koninkrijk was Babel, Erech, Akkad en Kalne in het land Sinear.

De profeet Micha noemt Assyrië het land van Nimrod. Nimrod was een nakomeling van Noach’s zoon Cham en was een geweldig jager die zich tegenover de Here opstelde. Hij was de eerste die ‘een gewelddadig gezag en heerschappij" vestigde, de eerste despoot, "de grondlegger van alle koningschap en tirannie. In een groot aantal bijbelteksten in het Oude en Nieuwe Testament komt de naam Babel/Babylon voor. Babel is de weergave zoals die in het Oude Testament voorkomt; Babylon die van het Nieuwe Testament. Babel, wat in het Hebreeuws "Verwarring" betekent, vormde het begin van de menselijke heerschappij op aarde, na de zondvloed. In de taal van Assur weergegeven, betekent Babel ‘Bab-ili’wat betekent: poort van God. Dat geeft Babel als het ware een dubbele betekenis. Daar waar mensen menen God te dienen, worden ze door het misleidende van Babel verward en komen ze niet bij God terecht, maar blijkt juist Zijn tegenstander hen in hun macht te hebben. Reeds vanaf het begin is Babel bekend geworden als de stad die zich tegen alles verzette wat maar iets met God te maken had. Babel is het grote voorbeeld van de opstandigheid van de mens tegen God. Inplaats van zich op Gods bevel over de aarde te verspreiden, streefde de mens naar centralisatie en bouwde ze een stad om haar eigen glorie te onderstrepen.

Genesis 11:4 Welaan, laten wij ons een stad bouwen met een toren, waarvan de top tot de hemel reikt, en laten wij ons een naam maken, opdat wij niet over de gehele aarde verstrooid worden.

Het gaat hier duidelijk om menselijke ambities zoals in later tijden ook elders op aarde tot uitdrukking is gekomen in de bouwwerken van de verschillende beschavingen. De Bijbel leert dat God onaangenaam was getroffen door de hoogmoed en de uitwassen van de mens toen Hij zag waar ze in Babel mee bezig waren. Hier werden de machten van het kwaad samengetrokken. Hier lag satans kwade bedoelingen met de mens, de bakermat van alle valse godsdiensten en andere demonische invloeden. Nimrod, wiens naam kan worden uitgelegd als "Hij die de mensen deed rebelleren tegen God" was de uitvoerende macht van satans plannen. Hij liet de toren bouwen die reikte tot aan de hemel. Deze toren was bedoeld om als reddingsplaats te dienen voor het geval God opnieuw mocht besluiten een watervloed over de aarde te brengen. Nimrod dacht op deze manier af te kunnen rekenen met Gods Macht. De stad Babel was verder voorzien van een 28 meter brede en 105 meter hoge verdedigingsmuur waarin 150 poorten toegang tot de stad gaven. Op deze nimmer geëvenaarde muur stonden 250 torens van 30 meter hoogte. Om de stad lag een brede gracht en midden door de stad stroomde de rivier de Eufraat die het gehele jaar door zorgde voor voldoende water. Volgens een overlevering was er in de stad een voedselvoorraad aangelegd waarvan de gehele bevolking ca 20 jaar kon leven.

Bijbels gezien is de toren van Babel een treffend beeld van het menselijk verlangen om God te raken en door God aangeraakt te worden – een nooit te vervullen maar altijd weer opduikend verlangen.

Theologisch gezien gaat het verhaal over de toren van Babel over de vraag welke rol God speelt bij het ontstaan van meerstemmigheid en verschil – op zijn zachtst gezegd een lastige vraag. En in termen van communicatie en zeggingskracht is de toren van Babel een symbool voor zowel cultuurkritiek als verwarring.

Deze afbeelding van de toren van babel is niet alleen eindeloos gereproduceerd, hij wordt ook vaak bewerkt en als waarschuwing ingezet tegen allerlei vormen van hoogmoed en dominantie. Dit houdt op dit moment, vooral een kritiek in op globalisering, Amerikanisering, Europese Unie-dwang, milieuvernietiging, en opoffering van menselijkheid en de menselijke maat.

Babel in de bijbel:

Genesis 11 (NBV-versie met onvertaalde Godsnaam)

Ooit werd er op de hele aarde één enkele taal gesproken.
Toen de mensen in oostelijke richting trokken, kwamen ze in Sinear bij een vlakte, en daar vestigden ze zich.
Ze zeiden tegen elkaar: ‘Laten we van klei blokken vormen en die goed bakken in het vuur.’ De kleiblokken gebruikten ze als stenen, en aardpek als specie.
Ze zeiden: ‘Laten we een stad bouwen met een toren die tot in de hemel reikt. Dat zal ons beroemd maken, en dan zullen we niet over de hele aarde verspreid raken.’
Maar toen daalde JHWH af om te kijken naar de stad en de toren die de mensen aan het bouwen waren.
Dit is één volk en ze spreken allemaal een en dezelfde taal, dacht JHWH, en wat ze nu doen is nog maar het begin. Alles wat ze verder nog van plan zijn, ligt nu binnen hun bereik.
Laten wij naar hen toe gaan en spraakverwarring onder hen teweegbrengen, zodat ze elkaar niet meer verstaan.
JHWH verspreidde hen van daar over de hele aarde, en de bouw van de stad werd gestaakt. 9 Zo komt het dat die stad Babel heet, want daar bracht JHWH verwarring* in de taal die op de hele aarde gesproken werd, en van daar verspreidde hij de mensen over de hele aarde.
(11:9) * Babel heet, want daar bracht JHWH verwarring – In het Hebreeuws is er een woordspel tussen de naam Babel en het werkwoord balal, ‘verwarring brengen’.

De gedachte dat het verhaal van de toren van Babel over ´hoogmoed & straf´ gaat, is oud en vertrouwd en vormt nog steeds een veel voorkomende uitleg van Gen 11. In deze interpretatie is het verhaal direct van toepassing op het handelen van individuele mensen. De boodschap is helder: hoogmoed komt voor de val. Wie aan God gelijk probeert te zijn, wordt door God zelf direct bestraft, zoals ook het paradijsverhaal in deze zelfde stijl van uitleg vertelt. Deze interpretatie valt ook door te trekken naar het sociale niveau: niet alleen het individu, maar ook de groep die hoog van de toren blaast of alle macht naar zich toetrekt zonder zich iets van God of gebod aan te trekken komt uiteindelijk ten val. Elkaar niet verstaan en verspreid worden over de hele aarde is dan de straf, te vergelijken met de verbanning uit het paradijs.

Naast de ´hoogmoed & straf´ uitleg zijn de afgelopen decennia in rap tempo heel andere visies gezet. Dat heeft te maken met voortgaand historisch, literair en filosofisch onderzoek, maar evenzeer met de toename en de vermenging van bijbeluitleg vanuit andere contexten en situaties.

De exegete Ellen van Wolde bijvoorbeeld pleit op grond van joodse uitlegtradities en vanuit een grote ecologische bezorgdheid al geruime tijd voor een niet-antropocentrische en niet-moraliserende uitleg van dit bijbelverhaal. Volgens haar bestaat de kern van het verhaal van de toren van Babel niet uit een krachtmeting tussen mens en God, en Gods ingreep in de menselijke communicatie is dan ook geen straf of afwijzing. Semiotisch bekeken en geplaatst in de hele opbouw van het boek Genesis gaat het verhaal over het vruchtbaar en bewoonbaar maken van de hele aarde.

De verspreiding van en verscheidenheid tussen mensen staat in dienst daarvan, is daarvoor zelfs onmisbaar. In de tijdsorde van het boek Genesis, zo stelt van Wolde, volgen de gebeurtenissen in Babel op een eerder verhaal waarin de verspreiding van mensen en de verschillen tussen hen in taal en cultuur al heeft plaatsgevonden. En zo is het bouwen van de stad en de toren van Babel een tegendraadse, regressieve beweging, waarin de bewoners van de aarde behoudend en angstig aan elkaar klitten, doen alsof de feitelijke verscheidenheid er niet is tussen groepen mensen met elk hun eigen talen, culturen en leefwijzen, zoals in dit verhaal nomaden, stadsbewoners en zeevaarders. Wat God corrigeert is niet menselijke hoogmoed maar menselijke behoudzucht en angst.

Een heel andere draai aan het verhaal van de toren van Babel geeft Jacques Derrida, de franse filosoof die zelf symbool staat voor het gebruik van ondoorgrondelijke taal en het stichten van verwarring. In zijn tekst ´Des tours de Babel´, letterlijk rondjes om Babel, speelt hij een subtiel spel met de paradoxen van verstaanbaarheid en verwarring die in en rond dit verhaal bestaan.

Het verhaal van de toren van Babel laat volgens Derrida zowel de vermogens als de grenzen van de taal zien, de wankele grens tussen verstaan en misverstand, en de noodzaak en tegelijk de onmogelijkheid van elke ver-taling. Puttend uit verschillende en deels tegenstrijdige vertalingen van dit verhaal betoogt Derrida dat de betekenis van de naam Babel aan de ene kant overduidelijk is, omdat Babel als symbool van verwarring universele verstaanbaarheid kent over de grenzen van talen en culturen heen, terwijl aan de andere kant de betekenis ervan ons steeds weer ontsnapt en in verwarring brengt: is Babel een eigennaam, een stad genoemd naar God, is het de stad van de Vader-God (Bab - El) of is het de toegang naar de goden (van het Akkadisch "Bab-illi” ) zoals verschillende vertalers stellen, en wie heeft Babel eigenlijk Babel genoemd, is dat God zelf? En wie of wat is deze God dan die zowel taal schenkt als verwarring sticht, die verwantschap tussen de volkeren aanbrengt maar ook verbreekt? Zouden we deze God inderdaad kunnen bereiken als we allen een en dezelfde, oorspronkelijke taal zouden spreken of rekent het verhaal van de toren van Babel juist definitief af met dit verlangen? Met deze vragen brengt Derrida het verhaal van de toren van Babel binnen in eigentijdse debatten over taal, cultuur, verschil en religieus verlangen.

Voor niet-westerse theologen is Babel niet zozeer een complex of beladen symbool maar eerder een grimmige werkelijkheid. De Argentijnse bevrijdingstheoloog José Miguez-Bonino ziet in het verhaal van de toren van Babel een model van het westerse kolonialisme, dat de inheemse bevolking in Latijns-Amerika niet alleen een vreemde cultuur en religie maar ook een vreemde taal heeft opgelegd. Anders dan de hiervoor genoemde uit het westen afkomstige uitleggers is Bonino dan ook niet bang om een stevige moraliserende uitleg aan dit verhaal te geven. Bij hem is het ´neerdalen van God´ en de ingreep in het spreken en verstaan van de aan een imponerende toren bouwende mensen een veroordeling van een imperialistische geschiedenis, en in deze zin een daad van bevrijding. Voor Bonino gaat het verhaal van de toren van Babel in postcoloniaal perspectief over de noodzakelijke erkenning van verscheidenheid in tongen, talen, en theologische expressies – over het teruggeven van de eigen stem en taal aan de inheemse en plaatselijke bevolking. De verwarring van de talen en de verspreiding van de mensen over de hele aarde is geen ´straf van God´ maar een belofte van ´zegen voor alle volkeren op de aarde´ (Gen 12,3).

.:._______________________________________________________.:.
Laat uw reactie, vraag of opmerking achter, door in onderstaande zin, op het woord reacties dubbel te klikken.

dinsdag 13 oktober 2009

Penu, Het Verhaal van de Egyptische Muis

Afgelopen voorjaar was ik twee weken in Egypte en ik bracht twee keer een bezoek aan het Egyptisch museum van oudheden in Cario. In het museum ontdekte ik iets heel bijzonders. Wat ik ontdekte was naar mijn mening zo bijzonder, dat ik in eerste instantie dacht, dat iemand een grapje met de bezoekers van het museum wilde uithalen. Omdat Egyptenaren wel van humor houden, zou het naar mijn idee best kunnen, dat een suppoost een grapje wilde uithalen en daarom een paar komische tekeningen had opgehangen , tussen alle serieuze spullen, om zich te vermaken met de reacties van het publiek. Dit blijkt echter niet het geval te zijn. De oude Egyptenaren tonen ons door deze afbeeldingen een groot gevoel voor humor.

Een Muis draagt een fijn linnen gewaad, een drankje wordt haar aangeboden door een kat in e rol van een bediende, terwijl een ander kat haar haren verzorgt. Dit is een van tekeningen, op papyrus, welke ik in het Egyptisch Museum in Caïro ontdekte.

Tussen alle prachtige spullen, in het museum, was er een muur gereserveerd voor kleine fresco’s en papyrus tekeningen. Sommige waren niet groter dan 10 bij 10 centimeter. Hiertussen bevonden zich een tweetal afbeelding van dierfiguren in een ongewone setting . Ik zou er dan ook bij zo aan voorbij zijn gelopen, maar een nadere blik toonde mij dat het hier om komische en humorvolle afbeeldingen van dieren in een mensenrol ging uit het oude Egypte.

Afbeelding van dierfiguren zijn op zich natuurlijk niet zo bijzonder . Iedereen weet dat de oude Egyptenaren van katten hielden. En er zijn dan ook vele practige afbeeldingen en beeldjes gevonden van katten in Egypte.

Bijna elke Egyptische collectie bevat wel een standbeeld van een kat, welke de godin Bastet representeert, of een katten mummie. Prins Thoetmosis, zoon van Amenhotep III, had een zeer speciale sarcofaag, zodat zijn favoriete kat kon worden begraven samen met hem. Maar hoe zit het met traditionele rivaal van de kat, de muis?

Muizen en ratten zijn altijd een probleem waar graan wordt opgeslagen. omdat graan zo belangrijk was voor de Egyptenaren, was het ondercontrole houden van dit (on)gedierte van cruciaal belang voor het welslagen van de oogst.

In een boek, geschreven in het oude Egypte, om leerlingen aanmoedigen om zich te wijden aan hun studie, vergelijkt de auteur het leven van een schrijver met andere beroepen. Hij Schijrft het volgende over muizen: "Bedenk hoe de boer lijdt wanneer de oogst wordt geteld. Plagen hebben de helft weggenomen van het graan. Muizen in overvloed in de velden en de mussen om het te stelen. Wee de boer!" Katten speelde een grote rol in het muis-vrij-houden van de huisen.

De Egyptenaren gebruikten de namen van dieren als bijnamen voor personen, die vaak werden aangehouden ver na de kindertijd. Een jongen zou Pamiu, 'Tomkat' kunnen worden genoemd, en een meisje zou Tamiu, 'Poessiekat' of 'Kitten' genoemd kunnen worden. Het Egyptische woord voor muis penu, werd ook gebruikt als een kinderlijke bijnaam.

De Egyptenaren hadden een gevoel voor humor. Dit je kunt zien in de schetsen of doodles op restjes van kalksteen, genaamd ostraca, of op papyrus. Deze afbeeldingen waren bedoeld als spotprenten, waarin dieren de plaats innemen van de mens. Bij veel van deze afbeeldingen zij de traditionele rollen omgedraaid, net als bij een Tom en Jerry cartoon, waarbij de muis altijd de is betere van de kat.

Hoewel geen van deze afbeeldingen een titel heeft, denken sommige Egyptologen dat het mogelijk is, dat deze cartoons illustraties zijn van bekende verhalen of fabels, die werden doorgegeven van generatie op generatie en van mond tot mond, maar werden nooit opgeschreven.

Mogelijk representeren deze afbeeldingen moralistische, of allegorische verhalen zo als de fabels van Aesop's, of ze kunnen eenvoudig weg bedoeld zijn als verhalen voor kinderen zoals; The Beatrix Potter's Tale van Tom Kitten en The Tale of Samuel Whiskers.

Een tekening op papyrus, waarin een muis gezeten op een mooie stoel en wordt bediend door katten, een kat met een waaier en een kat die de muis voedsel aanreikt.

Verhalen van oorlogen tussen katten en muizen worden gevonden in vele culturen, met name in het Nabije Oosten. Zij ze mogelijk allemaal afkomstig uit een oude Egyptische humoristisch verhaal? De meeste van de ostraca afbeeldingen met katten en muizen zijn afkomstig uit het Nieuwe Rijk periode, en vrijwel zeker afkomstig van het dorp van de arbeiders van Deir el-Medina.

Een meer uitgebreide versie van deze afbeeldingen is te zien op een papyrus, welke nu bevindt; in Turijn in het Egyptisch Museum. De Papyrus laat een complete veldslag scène zien. De Koning Muis, in zijn wagen, leidt zijn leger van muizen, gewapend met speren en bogen, omdat zij een aanval doen tegen een fort die wordt verdedigd door katten.

De soldaatmuizen beklimmen ladders en bereiken de top van de muren, en ze zijn zo woest dat de katten smeken om genade. Dit was een waarschuwing over wat er gebeurt wanneer het evenwicht van het universum, die de Egyptenaren Maat noemden, boos is.
Deze papyrus afbeelding is vergelijkbaar met de gevechtscènes die je kunt zien op de muren van de tempels gebouwd door Ramses II, zoals Karnak, Luxor en Aboe Simbel, waarop de koning de wetten van de Maat verdedigt, door het veroveren van Egypte's vijanden.

Maar de andere afbeeldingen zouden net zo gemakkelijk kunnen worden gezien als illustraties van verhaal voor de kinderen. Een kat als kindermeisje die een babymuis in een omslagdoek of een sling draagt. Nog een ander afbeelding toont een elegante dame-muis waarvan haar haar haren gekapt wordt door een katte-meid terwijl andere katten-personeelsleden eten en drinken aanbieden.

Er is ook een hele leuke afbeelding gevonden, die een muis toont in goede doen. Zeg maar een hele dikke muis,(of eventueel een rat), die jongleert, gekleed in een fijn geplooide linnen kilt.

Muizen rechtspraak en straf.

Muizen zijn soms afgeschilderd als ambtenaren, die katten vervorderen en getuigen bij straffen. Misschien zijn de afbeeldingen het equivalent van onze politieke cartoons die gevoelens over de heersende klassen, de regering en ambtenarij in het algemeen uitbeelden en weergeven.

Kat en muis afbeeldingen blijven ook verschijnen in de Late Periode. Het meest verrassende is een reliëf uitgehouwen in de tempel van Medamud, waar een vrouwelijke muis een feest geniet, ze wordt geserveerd door katten, terwijl ze vermaakt wordt door een krokodil dit een luit voor haar bespeelt. Deze scène is veel formeler dan de snelle schetsen van de Koninklijke werklieden of de doodles van een verveelde schrijver.

Niemand kan nog vertellen waarom de scene werd opgenomen is in een tempel, waar je meer conventionele religieuze voorstellingen zou verwachten te zien. Het is mogelijk dat de afbeelding betrekking heeft op een mythe, of goddelijk verhaal, welke nooit werd opgenomen in geschreven vorm.

In mijn zoekocht naar afbeelding van muizen in de rol van de dienaar van de kat, kwam ik tevens een Persische sprookjesboek tegen getiteld: The Cat and the Mouse, samengesteld door Hartwell James, en geillusteerd door John R. Neill

Hierin vond ik de onderstaande illustraties.




.:._______________________________________________________.:.
Lees reacties of laat uw reactie, vraag of opmerking achter, door dubbel te klikken op het woord reacties in onderstaande regel:

Vergelijkbare Blogs

Related Posts with Thumbnails