Omroep Brabant heeft vanaf dinsdag 5 april een start gemaakt met een reeks van 10 TV uitzendingen over religie en spiritualiteit, met de titel "Nondeju!". De presentatrice van het programma is Maud Hawinkels. Ze verkent in "Nondeju!" de Brabantse wereld van religie en spiritualiteit. In de eerste aflevering is Maud te gast bij een inwijdingsritueel bij de vrijmetselaarsloge in Bergen op Zoom.
Het programma opent met een intropraatje van Maud Hawinkels, waarbij ze buiten op de grond ligt, voor de vrijmetselaarsloge. Het is dat wij weten dat "Nondeju!" wordt gemaakt door professionele programmamakers, anders zou je denken aan dom gedoe. Een horizontale Maud Hawinkels, in een ongewone houding, voor als je serieus genomen wilt worden. De bedoeling van deze houding is waarschijnlijk dat het programma losjes en speels bij de kijker moet overkomen. Het maakt door deze wijze van presentatie veeleer een domme indruk. Dit komt mede door de quasi nonchalance houding, de intonatie, de manier van spreken, en de haperende woordenstroom van Hawinkels.
In de komende 10 weken gaat Hawinkels alle vormen van Spiritualiteit onderzoeken. Ze gaat opzoek naar God, Jezus, Allah, Boeddha, noem maar op. In deze uitzending gaat ze opzoek naar de Opperbouwmeester van het heelal. U voelt de bui al hangen, ze is bij hoge uitzondering toegelaten tot de Vrijmetselaars loge.
Er volgt de introleader van "Nondeju". We zien een animatie met een hoog "happynezz" gehalte. We zien wolkjes en een opstijgende engel, een joodse Chanoekia, een davidster, een Hindoe godheid, Stonehence, Boeddha, de Koran, symbolen van alle religies, daar verschijnt de naam Nondeju, in gele letters, in beeld.
Vervolgens zien we Hawinkels in Bergen op Zoom. Ze is onderweg naar "kerk", van de vrijmetselaars, maar dit heet loge. De wijze waarop Hawinkels het woord loge uitspreekt, en dit nogmaals herhaalt, laat zien dat ze het hele gebeuren niet al te serieus opneemt.
Hierna zien we een groep Vrijmetselaren, van het Groot Oosten, in het loge gebouw. De Ceremoniemeester roept op dat de broeders zich in stilte maçonniek moeten kleden. Onderwijl verschijnt er een luchtige animatie, van een soort "tittervogeltje", over het beeld, die ons uitleg geeft van van het woord maçonniek. Er wordt door de ceremoniemeester gevraagd of ze broeder gedeputeerd willen volgen in de werkplaats; "Eerst zij die in het Oosten zijn gezeten, gevolgd door de officieren in afdalende rang, gevolgd door de leerlingen, gevolgd door de overige meesters".
Maud Hawinkels ligt weer voor het logegebouw en leest de kijker een stukje voor uit "Het verloren Symbool" van Dan Brown, over de tempelzaal. Deze vormde een volmaak vierkant en was enorm. De wanden waren een caleidoscopisch van oeroude symbolen, Egyptische, Alchemistisch, Astronomisch en nog veel meer onbekende tekens.
Dan zien we Hawinkels, met Broeder Dave Leising, voor de tempeldeur staan. Leising laat ons weten dat ze het gebouw eigenlijk geen tempel noemen, maar werkplaats. Zoals de gildes ook hun werkplaatsen hadden. Het woord tempel is eigenlijk een beetje beladen, dat doet een beetje denken aan.... Hawinkels vult aan: "dat dat gelovig is". Leising gaat verder en vertelt de kijker dat ze geen religieus genootschap zijn, althans geen kerkgenootschap. Hawinkels merkt op dat ze ook geen carnavalsvereniging zijn. Het woord tempel is iets plechtigs en veel mensen verwarren dat dan toch met de kerk en zijn ze beslist niet.
De ceremoniemeester klopt aan de poort en deze gaat open. De broeders lopen naar binnen, in het teken van getrouw, richting hun plaatsen. Broeder Leising volgt en geeft uitleg dat er eigenlijk iemand met een zwaard bij de poort behoort te staan. Dat is allemaal heel eng en die probeert je tegen te houden, als je het paswoord niet weet, want elke wildvreemde kan binnenkomen, als hij een pak aantrekt en zegt: "Ik ben vrijmetselaar". Nee, dan moet hij een bepaald paswoord afgeven.
Dan zien we Hawinkels, onzekerheid acteren, langs de dekker sluipen, en fluisteren: "Ik weet het paswoord niet". Ze vraagt of ze een ding willen uitleggen en vraagt vervolgens: "Als je bij een kerkdeur komt. Die staat altijd openen voor iedereen. waarom moet je hier dan een paswoord hebben? Doen jullie enge dingen of zo?" Broeder Leising legt uit dat je lid moet zijn van de Vrijmetselarij om toegelaten te worden. Ze willen liever niet dat er mensen worden toegelaten die het spel niet begrijpen of niet weten, of niet snappen wat er hier gebeurd en daar lacherig over doen. Dat vinden ze niet prettig, Voor de vrijmetselaren is het een spel, die heel waardevol is. daarom willen ze het een beetje besloten houden.
Hawinkels stelt dat het de katholieken waren, die vroeger heel bang waren, omdat het eng was, en dat houden ze op deze wijze instant. Leising verdedigt zich door te stellen dat helemaal niet waar is. Het enige wat ze geheim houden en wat ze niet vertellen is dat Paswoord en een aantal kleine dingen uit het rituaal en ze willen geen vreemde daarbij hebben.
Vervolgens zien we de ceremoniemeester, in het kielzog gevolgd door een geblinddoekte man, en een begeleider. Wie zien een scene van een maçonnieke inwijding. Het "twittervolgeltjes" laat ons tussendoor weten welke bekende wereldburgers vrijmetselaren waren. De geblinddoekte man wordt de werkplaats binnengevoerd. De ceremoniemeester klopt aan de poort en de opziener vraagt: "Broeder dekker, wil onderzoeken wie er aanklopt". "Wie klopt daar als profaan aan de poort van de werkplaats". vraagt de dekker. "Het is een vrije man, van goede naam, die verlangt Vrijmetselaar te worden". Antwoord de geleider.
Broeder Leising stelt dat ze een inwijdingsgenootschap zijn. Een gelegenheid bij uitstek voor Maud Hawinkels om de volgende domme vraag te acteren. Als presentatrice dit type programma's moet je namelijk doen overkomen, dat je heel erg dom bent, niets van religie weet, en niet gelovig bent, om tenslotte de deelnemers uit te lachen. Hawinkels kent haar rol goed en stelt: "dan ben ik ingewijd, en dan kom ik voor het eerst binnen, en dan denk ik wat is dit allemaal. Dan zie ik bijvoorbeeld een zuil. Heeft alles hier een betekenis?" Leising bevestigt dat alles een betekenis heeft en dat de ruimte vol met symbolen zit. We bewonderen het geduld en de naïviteit waarmee de de broeders van het GON Hawinkels benaderen en deze filmploeg binnengehaald hebben.
Tot slot van de eerste helft over de Vrijmetselarij leest Hawinkels verder in "het verloren symbool" over de inwijding. We zien nog een stukje uit de inwijding. De voorzittendmeester vraagt aan de geleider: "Volbreng u plicht en laat de kandidaat zijn eerste reis ondernemen". Dan roept de Dekker dat de loge ontluisterd is, daar er een Brabantse filmploeg aanwezig is. De ceremonie meester verzoek of ze de werkplaats willen verlaten.
Hawinkels fluistert dat er voor het eerst in 200 jaar een vrouw in de werkplaats is en dat ze nu weg moet. De werkplaats deuren sluiten zich en Hawinkels staat in de voorhof en fluistert dat ze bang is dat ze de slappe lach krijgt. Niet dat het grappig is of zo, maar ze is bang dat het gebeurt, omdat het niet mag. Maar het is gelukkig niet gebeurd, het scheelde niks. Arme broeder Leising, hij wilde geen mensen binnen hebben die lacherig over de vrijmetselarij en de boel belachelijk zouden maken. Met Hawinkels heeft hij alles in huis gehaald wat hij niet wilde.
Er volgt een animatie over natuurreligie, een impressie over de Sint Jan en de vaste rubriek de preekstoel. Deze zaken gaan we hier verder niet bespreken. We gaan verder met het tweede gedeelte over de vrijmetselarij.
We zien Hawinkels verveeld in de voorhof rondhangen, op de grond gezeten vraagt ze zich af wat het wachtwoord kan zijn. Dat wordt ze de werkplaats binnengeroepen, waar de kandidaat aan de derde reis begint. De voorzittend meester vraagt; "wat verlangt de kandidaat nu nog?". waarop geantwoord wordt: "Het Licht te zien". De broeders vormen de broederkring en broeder geleider doet de blinddoek af.
Hawinkels snapt nog een ding niet, ze snap al die symbolen niet, en ze snapt niet wat het is. Ze vraagt: "Wat is het nu precies". Ze snapt wel dat het een club mannen is, die heel gezellig en lekker en leuk met elkaar omgaan, en filosoferen over het leven of zo". "Is dat de vereniging, of is het meer?", vraagt ze. Broeder Leising antwoord: "Je probeert met elkaar te groeien en goeie filosofische gesprekken te hebben". Ook zijn ze broeders,zo noemen ze elkaar ook. Die broederschap is iets heel bijzonders. Dat kun je bijna niet uitleggen. Dit is niet alleen vriendschap. Broederschap is onvoorwaardelijk vertrouwen. Het is hetzelfde gedachtegoed hebben, hetzelfde pad bewandelen, samen naar een betere mensheid proberen te werken.
Broeder Leising geeft uitleg over de "drie lichten". De bijbel, passer, en winkelhaak. Dit zijn de belangrijkste symbolen van de vrijmetselarij. De bijbel is het boek van de waarheid."Maar het is altijd een heilig boek. Je kan niet de dikke van Dale, er onder leggen. Dat werkt niet?" vraagt Hawinkels. Leising antwoord: "Bij ons niet, dat heeft geen zin". Het moet wel een boek zijn die de waarheid geeft. Dat kan ook de Koran zijn.
Hawinkels speelt even de advocaat van de duivel en stel dat de dikke van Dale ook waar is. Leising antwoord geduldig dat dat niet de waarheid is waar ze naar zoeken. Hawinkels concludeert hieruit dat het toch een beetje spiritueel is. Ze worden het met elkaar eens dat het wel spiritueel is, maar zegt Leising het is niet religieus. De opperbouwmeester hoeft dus niet God te zijn. Leising gelooft in natuurkrachten.
Hawinkels leest in Brown over de punt in de cirkel. Een belangrijk maçonniek symbool. Dan volgt een impressie van de 7e graad, het broedermaal, waarbij op maçonnieke wijze een toost uitgebracht wordt op de koningin. Hawinkels zet haar glas naast het lint en krijgt het woord, en bedankt dat ze met haar filmploeg aanwezig mochten zijn.
Tot slot vraagt ze een broeder waarom er geen vrouwen bij de orde zijn. Hij antwoord, dat dat orde verstorend werkt. "Dan krijg je haantjes gedrag, die gaan de mooiste vrouwen zoeken en gaan daar bij staan, dan let je niet meer op". Een andere broeder verteld dat hij al 15 jaar lid is van de vrijmetselarij. Een derde broeder concludeert dat vrijmetselaars een reden hebben naar de zoektocht van ons bestaan en hoe ze daar een betere bijdrage aan kunnen leveren. Ze moeten wel een vraag hebben.
Maud Hawinkels komt het gebouw uit gerent en eindigt met een betoog dat het toch wel bijzonder is dat zij, voor het eerst, in 245 jaar, als vrouw, het rituaal mee mocht maken. Daarbij tikt ze haar jongenspet uit haar ogen en tekent ze likkebaardend, met haar handen in de lucht, de contouren van een wulpse vrouw. Ze vond het hartstikke leuk en ze schaamt zich om het te zeggen, omdat je eigenlijk wat anders verwacht had. Ze denkt dat Vrijmetselarij ook een soort therapie is. Ze kunnen met elkaar over dingen des leven praten. het is een soort theekransje, maar dan veel meer, dieper. Serieus neemt Hawinkels het allemaal niet.
Sterzoeker zag meteen al dat deze dame, van Omroep Brabant, helemaal niet bezig is met serieus programma maken, over religie en spiritualiteit, maar doende is om deze zaken op een bepaalde manier te belichten. Dat wordt meteen al duidelijk door haar gezellige en dommige manier van doen, en door de wijze waarop ze de mensen en het onderwerp benadert.
We zijn dan ook zeer benieuwd om welke groepering of religie er in de volgende uizending, van Nondeju, er weer gelachen gaat worden. Sterzoeker houdt u op de hoogte!
Posts tonen met het label Vrijmetselarij. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Vrijmetselarij. Alle posts tonen
woensdag 6 april 2011
dinsdag 9 november 2010
Vrijmetselarij belastingvrij
Vandaag stond in de Telegraaf het onderstaande opmerkelijk bericht, geschreven door Sameer van Alfen. Een trouwe sterzoekerlezeres gaf ons hier over een tip, waarvoor onze dank. Dit is een opmerkelijk berichtje en de vraag is welke genootschappen in de voetsporen van de Vrijmetselarij gaan treden. Hopende dat zij dan net als de vrijmetselarij goede doelen daadwerkelijk een warm hart toedragen. Nu is het zo dat wat zich "goede doelen" noemt, meestal het geld wat binnenkomt ook daadwerkelijk uitgeeft aan de goede doelen die zij steunen. Het is algemeen bekend dat de vrijmetselaren altijd al veel geld aan goede doelen heeft geschonken. Dit kent een lange geschiedenis. Wellicht dat de vrijmetselarij juist om die reden vanaf gisteren officieel te boek staat als goed doel
De Orde van Vrijmetselaren hoeft voortaan geen belasting meer af te dragen over ontvangen giften. Het genootschap staat sinds gisteren te boek als goed doel.
Staatssecretaris Weekers (Financiën) liet weten dat hij zijn cassatieberoep bij de Hoge Raad heeft ingetrokken. Hiermee staakt de bewindsman zijn jarenlange verzet. Met als gevolg dat het gezelschap definitief het etiketje 'algemeen nut beogende instelling' krijgt opgeplakt. Het kan nu aanspraak maken op allerlei fiscale voordeeltjes.
De orde is een 'religieus' gezelschap voor uitsluitend mannen, dat nadenkt over belangrijke levensvragen. Het staat bekend als een elitaire club voor onder anderen politici, schrijvers en cultuurfilosofen. Ons land telt ongeveer 6000 vrijmetselaars. De bijeenkomsten zijn veelal besloten.
Belastingexpert Monique Ligtenberg van Fiscaal Up to Date noemt het toekennen van de anbi-status opmerkelijk. "Het gaat hier niet om een goed doel als het Rode Kruis of de Dierenbescherming. Het genootschap maakt onderscheid tussen mannen en vrouwen en dient nou niet bepaald een algemeen belang
Staatssecretaris Weekers (Financiën) liet weten dat hij zijn cassatieberoep bij de Hoge Raad heeft ingetrokken. Hiermee staakt de bewindsman zijn jarenlange verzet. Met als gevolg dat het gezelschap definitief het etiketje 'algemeen nut beogende instelling' krijgt opgeplakt. Het kan nu aanspraak maken op allerlei fiscale voordeeltjes.
De orde is een 'religieus' gezelschap voor uitsluitend mannen, dat nadenkt over belangrijke levensvragen. Het staat bekend als een elitaire club voor onder anderen politici, schrijvers en cultuurfilosofen. Ons land telt ongeveer 6000 vrijmetselaars. De bijeenkomsten zijn veelal besloten.
Belastingexpert Monique Ligtenberg van Fiscaal Up to Date noemt het toekennen van de anbi-status opmerkelijk. "Het gaat hier niet om een goed doel als het Rode Kruis of de Dierenbescherming. Het genootschap maakt onderscheid tussen mannen en vrouwen en dient nou niet bepaald een algemeen belang
vrijdag 9 april 2010
De Reizen van de Pelgrim
“De weg zelf moet ieder alleen gaan.
Wat weet ik van jouw pelgrimstocht,
wat weet jij van de mijne?
Is dit niet juist het kernpunt
van onze overtuiging
dat ieder voor zich
in eigen wezen God leert kennen?”
Uit: Hella Haasse, De scharlaken stad, Querido, 1952, blz. 81.
Dit artikel (bouwstuk) is ons toegezonden door een Br:. uit de vrijmetselarij en deze wenst verder anoniem te blijven. Dank voor deze mooie uit eenzetting over de weg van de plegrim en de opgang naar het geestelijke licht.
Het leven is een reis. Dit is een mooie metafoor. Een reis van hier naar daar, van een beginpunt naar een eindpunt. Zo maak ik ieder dag een tocht, als ik naar mijn werk ga. In de trein vergezellen me vele reisgenoten. Sommige reizigers krijgen nooit genoeg van de schoonheid van de verschillende landschappen waar we doorheen rijden. Andere zitten heel tevreden een boek of een krant te lezen, verloren of verdiept in wat ze lezen en kijken alleen zo nu en dan op wanneer ze merken dat er een station nadert. Op de terugreis lezen ze weer hetzelfde boek als op de heenreis. Reizigers lijken hun reis te maken de op hun geheel eigen wijze.
De vele kleine reizen die ik heb gemaakt hebben mij uiteindelijke geleidt naar een geestelijk pad die ik heel bewust heb verkozen. Het is een heel bijzondere pad, een pad van inwijding. Het is een pad welke ik met eerbied en voorzichtigheid van een pelgrim wil betreden. Het is de het pad van de Vrijmetselaar.
Wat mij bijzonder is bijgebleven van mijn inwijding is dat ik dit pad letterlijk mocht gaan als pelgrim. Wat een mooi en rijk symbool. Waar deze weg mij ook naar toebrengt, dit beeld zal mij altijd voor ogen blijven staan, dat wij allen pelgrims zijn en dat we allemaal op weg zijn.
In het inwijdingsritueel van de leerling vrijmetselaar leggen wij onze dagelijkse kleding en sieraden af en trekken we het kleed van pelgrim aan, omdat we geestelijke reizigers zijn. We gaan geblinddoekt op reis, ons nog onbewust van onze omgeving. Maar, wat is nu eigenlijk een pelgrim, en waarom gaan wij op reis als pelgrim.
Het prototype van de middeleeuwse reiziger was de pelgrim. Hij reisde om God te ontmoeten in de heilige (bedevaart)plaatsen. Zijn beweegredenen waren religieus van aard. Hij ging niet op reis om het genoegen van de reis zelf, maar om getuigenis af te leggen van het verschil tussen een profane en sacrale ruimte. Zijn tocht door de wereld stond in het teken van de hemel; zijn lichamelijke inspanningen kregen betekenis in het licht van zijn zielenheil dat hem op de plekken van het geloof ten deel zou vallen.Paradoxaal genoeg bestond de wereld voor de gelovige reiziger uit een aantal religieuze centra die hem eraan herinnerden dat niet hij en de wereld het centrum vormden, maar God.
Net als deze middeleeuwse pelgrim ging ik in de inwijding op reis. Drie symbolische reizen ging ik. De reizen gingen langs een vierkant welke symbool zou kunnen staan voor de stoffelijke schepping, een heilige plaats. Ik ging deze reizen naar het “oosten” geblinddoekt. De reizen eindigden op het middelpunt voor het altaar, daar werd mijn blinddoek af gedaan en zag ik het licht. Deze reizen waren niet zomaar. Ieder reis bracht zijn eigen symboliek mee en voerde mij langs de elementen aarde water lucht en vuur.
Voor de middeleeuwse pelgrim was reizen een serieuze zaak, dé manier om te leren en zichzelf te ontplooien. Idealiter bracht de reis de pelgrim in contact met andere culturen en leefwijzen, andere ideeën en gewoontes. Door zich hiervoor open te stellen, kon hij zich bevrijden van eigen vooroordelen. Zelfkennis kwam aldus in een ruimer perspectief te staan: de diversiteit van maatschappijen, mensen en meningen vormde een spiegel waarin de pelgrim zichzelf, zijn eigen leven en cultuur op een nieuwe wijze kon gaan zien. In de loge worden we regelmatig met kennis en wijsheid in contact gebracht middels bouwstukken, waardoor we verschillende onderwerpen in ruimer perspectief kunnen gaan zien. Gelijk de middeleeuwse pelgrim kunnen wij ons spiegelen aan de anderen en ons zelf hierdoor verrijken.
De pelgrim of kluizenaar is in vele religies een bekende figuur. Hij/zij symboliseert de nood om zich van tijd tot tijd terug te trekken uit de alledaagse wereld en zich te wijden aan zelfreflectie en contemplatie. Door zich af te zonderen kan hij/zij zich volledig richten op de vereniging met het goddelijke.Een Kluizenaar kiest hiervoor meestal een afgelegen plek in het woud uit of een eenzame bergtop of grot.
De contemplatie begint in ons inwijdingsritueel natuurlijk in de kamer van ontvangst. De spreuken die ik in deze kamer aantrof gaven mij de eerste aanzet tot een geestelijke verdieping. Mijn reis nam hier een aanvang. Hier werd ik teruggeworpen op mijn gevoelskant en hier werd het pelgrimskleed aangetrokken en afstand gedaan van profane zaken. Hier werden mij drie hele belangrijke vragen gesteld o.a. welke indruk ik wil nalaten als ik dit aardse bestaan heb verlaten. Een vraag die diepe indruk op mij heeft gemaakt. Ik realiseerde me dat dit een heel belangrijke vraag is, waar ik niet vaak genoeg bij stil kan blijven staan. Dit is de vraag die ik heb meegenomen op mijn reis en ik steeds weer in overweging wil nemen.
De afgelegen plek of grot van de pelgrim zie ik terugkomen in de symboliek van de kamer van overpeinzing. Hier werd ik getroffen door mooie symbolen van het vergankelijke van mijn aards bestaan. Ook hier weer de eenvoud van de pelgrim, die slechts met weinig tevreden is; een korenaar, een snede brood, wat zout en een kaars om de donkerte verdrijven. Tevens lag hier het heilige boek opengeslagen op het Evangelie van Johannes. Ook een beeldje van een haan, waarin ik het symbool erkende van een naderende dageraad. De haan kraait als de dageraad aanbreekt. De dageraad staat voor het ontluikende licht. Er lag een doodshoofd, symbool van mijn eigen sterfelijkheid en er stond een zandloper, symbool van tijd.
Het woord 'pelgrim' staat ook voor synoniem vreemdeling. Pelgrimeren heeft voor mij de betekenis gekregen van onderweg zijn en het onbekende ontmoeten. Vanuit deze optiek is pelgrimeren al zo oud als de mensheid zelf. Zowel in het verleden als nu zijn de mensen op zoek naar de zin en betekenis van hun leven hier en nu. Laten mensen zich raken en troosten door de schoonheid en de kracht van een plek op aarde. Zo is voor mij de loge een plek van rust van contemplatie geworden, waar ik met mijn broeders en zusters, deze schoonheid en kracht kan ervaren. Het leven na een pelgrimsreis altijd anders dan het leven ervoor. Op tarotprenten draagt de Kluizenaar traditioneel een lamp of lantaarn met zich mee die het licht van het innerlijk vuur symboliseert, de spirituele zoektocht naar kennis, inzicht en heelheid.
De pelgrim is het in zijn reizen aldus niet zozeer te doen om de hoeveelheid als om de kwaliteit. Bij een pelgrimstocht gaat het niet om het aantal plaatsen dat men heeft bezocht maar om de kwaliteit van de ervaring, om de diepere betekenis en waarde ervan, om een nieuwe kijk op alles te ontwikkelen, een nieuwe wijze van in de wereld staan. Zo ervaar ik ook het werk in de loge er is geen haast, deze weg is voor mij een weg voor het leven.
Pelgrims zijn ook zoekers. Dit werpt bij mij de vraag op wat het betekend zoekers of pelgrims te zijn op deze reis die wij allen aan het maken zijn.De aard van ons zoeken is afhankelijk van wat ertoe aanleiding gaf’. De eerste ‘regel’ op het pad is het zoeken naar de weg, het ontdekken van wat ons eigen pad is. Als we niet zoeken, als we ons niet realiseren dat we zoekers zijn op deze existentiële reis, dat we pelgrims zijn, dan is er ook geen richting, geen pad, geen weg. Er is geen weg totdat onze voeten het betreden hebben. Wat van het grootste belang is voor het vinden van zo’n weg, is het zoeken, het vragen. Misschien leren we, als we echte pelgrims zijn, met vragen te leven omdat we ons realiseren dat de pelgrimstocht zelf het antwoord vormt. Vragen brengen ons slechts op weg.
De magie van de pelgrimstocht, is de magie van de specifiek menselijke daad van zelfonderzoek – van voor de vraag staan wie of wat men eigenlijk is’. Dit is wat werkelijk met zoeken wordt bedoeld. Het is voor de vraag te staan wie men zelf is – dat is ons authentieke Zelf herinneren.
Dit zoeken wordt in de V\M \uitgedrukt in het ‘ken U zelve’. Dit treffen we aan als spreuk in de kamer van overpeinzing. Het is de naar binnen gerichte impuls van de ziel waaraan je dan gehoor moet geven. Vanuit het zoeken, vanuit het vragen, het onderzoeken, komt de weg te voorschijn – een weg die zowel een pad is als geen pad. Soms is het een weg ‘steil en doornig’. Voor hen die werkelijk zoeken opent zich, ‘het mysterie van de nieuwe weg’. Echt zoeken heeft dus te maken met een vraag verborgen in ons diepste wezen, dat nooit tevreden is met makkelijke antwoorden, maar die ons uiterlijk zowel als innerlijk leidt tot werkelijk weten.
Inwijding
De weg die wij gaan als vrijmetselaar is een inwijdingsweg. Een inwijding tracht een middel te zijn om de individueel zoekende mens behulpzaam te zijn op zijn levensweg, de moeilijke weg voor hen die uit innerlijke drang zelfstandig en oprecht bevredigende antwoorden trachten te vinden op hun levensvragen. Gedurende onze inwijding wordt ons dan ook gevraagd of het verlangen om ingewijd te worden echt vanuit onszelf komt.
Een inwijdingsweg geeft nergens antwoord op. De functie van een inwijdingsweg in het menselijk leven is de mens te helpen herinneren. Vaak is er gedacht dat een inwijdingsweg een antwoord geeft op alle levensvragen, maar in werkelijkheid geeft het geen antwoord op enige vraag en lost het geen enkel probleem op. Wij zelf geven antwoorden op de vragen; inwijding helpt ons alleen om te herinneren – het wekt ons op om het juiste te herinneren. Maar om wakker geschud te worden moeten wij de juiste vragen stellen, moeten we zoeken, zaken diepgaand verkennen. Wij zijn inderdaad iets vergeten. En het leven doet een beroep op ons om het ons weer in herinnering te brengen – te herinneren wie we zijn, omdat wanneer we ons herinneren wie we zijn we dan ook de weg gevonden hebben.
Heel de menselijke geschiedenis door vindt men rituelen die te maken hebben met een toetreding tot een bepaalde gemeenschap en de overgang naar een nieuwe bestaanswijze.Inwijdingsrituelen zijn van alle tijden en zijn aldus universeel. Het gaat om de inwijding in het leven door geboorterituelen, maar evengoed om het op rituele wijze voltrekken van de overgang naar het bestaan van kind, puber en volwassene, en naar een nieuwe gemeenschap.
Opmerkelijk is dat alle inwijdingsriten met elkaar verwant zijn, doordat ze handelen over een scheiding of een symbolische dood gevolgd door een wedergeboorte. Dit zinnebeeld van een hiernamaals zie ik ook duidelijk in ons ritueel: geblinddoekt trad ik de tempel binnen, symbool van onwetendheid. De eerste reis tegemoet gaande. De eerste en de tweede reis versymboliseerde de gang door de lagere werelden. Tenslotte na de derde reis, werd mij voor het altaar de blinddoek afgenomen, opdat ik het volle licht mocht aanschouwen. Deze derde reis voltrok zich in tegenstelling tot de eerste twee reizen in een volkomen stilte.
Inwijdingsrituelen zijn rituelen die uitdrukken dat men de oude levensfase achterlaat en wordt opgenomen in een nieuwe. Een persoon kan dan ook maar één keer dezelfde initiatie ondergaan: er is geen weg terug. Het kind (of de volwassene) laat het oude leven achter en wordt opgenomen in de gemeenschap van de ingewijden. Dit heb ik duidelijk ervaren op het moment ik opgenomen werd in de broederketen. Ik heb dit ervaren als een heel bijzonder warm moment. Een waarlijk welkom in de loge.
De machtige gloed van de inwijding heeft zijn weerkaatsing op veel niveaus en in veel aspecten. Het maakt de rijkdom aan betekenis van de inwijding mooi en vaak zo tastbaar. Op verschillende manieren kunnen wij dit benaderen en steeds, afhankelijk van ons bevattingsvermogen, is onze microkosmos doortrokken van de werkzaamheid van de macrokosmos. In de inwijding wordt een eerste stap van een mens van licht zichtbaar.
Het stadium wordt bereikt waarop de mens “in de wereld, maar niet van de wereld” is. Inwijding is de grote stap in de evolutie waarbij een nieuw begin wordt gemaakt. De plechtige eed van de gehele toewijding aan en het werken voor het welzijn van de wereld kenmerkt deze stap. Door toe te treden in de gelederen van hen die op het pad van zuivering en verlichting staan, wordt de verantwoordelijkheid voor het welzijn van de wereld op een bijzondere wijze gedragen. De ster van de inwijding straalt boven de mens die in zijn leven dit keerpunt bereikt, die de queeste op een nieuwe wijze voortzet en die geboren wordt in de gemeenschap van hen die reeds hun “gewaden” wit gewassen hebben.
Het inwijdingsmysterie herhaalt zich op steeds verder reikende punten, het is tevens een voortdurend gebeuren. Elke afronding is een nieuw begin, elke inwijding opent een ruimer voortgaan, waarbij op het juiste moment weer een volgende stap zal plaatsvinden.
Wanneer wij de betekenis van inwijding zo bekijken, zien wij hierin de markeringspunten die de keerpunten zijn op de weg die wij gaan. Het is een steeds wijkende horizon van verruimende groei.Uit de oudheid is het gebruik bekend dat de inwijdeling verscheidene beproevingen moest doorstaan om de inwijding te ontvangen.
De spirituele groei, de inwijding wordt zichtbaar in de toename van het goddelijk licht, de “Splendor Solis” in de mens.
De groei is een voortdurend proces, niet gesitueerd op slechts enkele momenten gedurende de omkeringen in het bestaan door de grote inwijdingen. Wanneer wij het gehele leven als een voortdurende inwijding benaderen, wanneer inwijding een mystiek en universeel gegeven is dat permanent op een bepaalde wijze functioneert, dan krijgt de esoterische lering die hierin besloten ligt kracht en inspirerende werking.
Wanneer wij treden in de heilige tijd, zoals deze in mysteriën en in ritualen voorkomt, maar die ook in ons bewustzijn die verbinding weergeeft waarbij de scheidswanden van de fysieke wereld verdwijnen en de mystieke realiteit naar voren treedt, is elke handeling een inwijdingshandeling, is elke daad een heilige daad en is het in de inwijding gesymboliseerde proces een universeel en voortdurend proces. Het is de toename van onze zuiverheid en inzicht waardoor het Hoger Zelf zich kan manifesteren. Alle stappen en aanzichten zijn voortdurend aanwezig. In deze machtige stroom vallen dan de bijzondere momenten waar de grote omkering plaatsvindt, waar de overgang is naar de nieuwe orde. De weg van inwijding is een voortdurend proces in het evenwicht van sterven en geboren worden. In het klein bestaat wat in het groot ook is. Zo boven, zo beneden.
Licht
In de inwijding is mij de zegen van het licht gegeven, maar wat is nu eigenlijk licht. Door licht kunnen we dingen zien en de dagelijkse dingen om ons heen onderscheiden. Dit ontstaat door weerkaatsing van specifieke lichtfrequenties, welke we waarnemen als kleuren. Licht dat door de ruimte reist zonder te worden weerkaatst, is onzichtbaar. Het is een paradox dat het meeste licht onzichtbaar is en daarom in feite duisternis is. Licht wordt dus pas waarneembaar voor het menselijk oog als het door een stoffelijk voorwerp wordt weerkaatst. Door deze weerkaatsing wordt het door onze zintuigen opgevangen en door ons bewustzijn waargenomen.Wanneer licht in aanraking komt met doorzichtige materie van verschillende dikte – bijvoorbeeld een prisma of een regendruppel – wordt wit licht gedifferentieerd in de bekende kleuren van het spectrum.
Als geestelijk of goddelijk licht zich net zo zou gedragen als fysiek licht zou dit impliceren dat het onzichtbaar is, in duisternis is, tot het door de stof wordt weerkaatst. Het goddelijk licht zou dan ook onzichtbaar zijn tot het door de stof wordt weerkaatst. De stof die het licht weerspiegeld is het noodzakelijke voertuig of de drager ervan. Het lijkt erop dat licht per definitie een wezen zoekt dat ermee kan omgaan en het kan transformeren om het zichtbaar te maken.De stoffelijke mens blijkt dan opeens een noodzakelijk voertuig of drager van geestelijk licht zijn. Zelfs goddelijk licht kan niet worden weerkaatst, tenzij er een wezen is dat ermee kan omgaan en het kan transformeren om het zichtbaar te maken.
Licht is misschien meer dan alleen vibrerende straling – licht is mogelijk een eigenschap of kenmerk dat eigen is aan bewustzijn. Licht kan dus op meer dan alleen het fysieke gebied bestaan en erop inwerken. Metafysisch gesproken is ‘licht de manifestatie van de levenskracht van een god’ Dit suggereert dat het fysieke verschijnsel‘licht’ niet zelf een oorzaak is, maar zijn oorsprong heeft in een hoger gebied – dat voor onze zintuigen en ons denken duisternis is, maar niet voor onze goddelijke natuur.
We kunnen erover speculeren of licht zijn oorsprong vindt op gebieden die ver verheven zijn boven het fysieke gebied waartoe onze zintuigen gewoonlijk zijn beperkt. Misschien is licht een uiting van een of andere graad van bewustzijn – van goddelijke of elementale aard. Ieder gebied beïnvloedt de aangrenzende gebieden; en wanneer aan de fysieke omstandigheden en voorwaarden is voldaan, kan licht zich manifesteren – door het aanstrijken van een lucifer of door het drukken op een lichtschakelaar. Of misschien door een flits van inzicht of een daad van mededogen. Misschien zijn we in meer letterlijke zin ‘lichtbrengers’ dan we wel denken.
Goddelijk licht
In alle culturen wordt het woord licht in overdrachtelijke zin gebruikt voor de aanwezigheid van een nieuw bewustzijn. Soms gaat het om een alledaags nieuw inzicht zoals in de zin: ‘Dit werpt een nieuw licht op deze zaak’; maar veel vaker betreft het een wezenlijke, allesomvattende bewustzijns-verandering, zoals in de term ‘een verlichte leraar’. Geestelijke verlichting is het intreden in een nieuwe wereld, waarin alles een nieuw perspectief krijgt. Geestelijk licht is vrijwel synoniem met wijsheid, want de verlichte mens ziet alles in een wijd en universeel perspectief. Licht is een prachtige metafoor om bewustzijn en wijsheid te beschrijven.
Maar licht en bewustzijn maken wel alle stoffelijke dingen zichtbaar en transcenderen alle vormen. Tegenover licht staat duisternis. In overdrachtelijke zin is duisternis niet het kwade, maar onwetendheid. Dit betekent letterlijk het niet-weten, het niet-zien van de werkelijkheid. En dit houdt in dat de weg naar het licht in eerste en laatste instantie het oplossen is van de eigen onwetendheid. Deze weg naar het licht staat los van uiterlijke factoren zoals andere mensen of organisaties en heeft nooit te maken met uiterlijke ambitie of status; de weg naar het licht is niet anders dan een innerlijke opgave.
Het Licht waar de V:.M:.over spreekt is een universeel Licht. Dit licht wordt verzinnebeeld in de wat de drie grote lichten wordt genoemd; het B:.v:.d:.H:.K:., de W:. en de P:>
Het is het licht van waarheid, dat schijnt uit ‘een wereld waar alle schaduwen onbekend zijn’, een licht dat niemand persoonlijk toebehoort. Iedere weg naar het licht is dus een weg naar binnen en impliceert het oplossen van onze eigen onwetendheid. Omdat ieder een andere innerlijke structuur bezit, zal ook iedere mens een andere weg naar het licht gaan.
Daarom verdienen alle grote religieuze geschriften der wereld onze ernstige aandacht en kan zowel de Koran als de bijbel of welke andere heilige geschrift op het altaar liggen. De V:.M:. respecteert ieders individuele weg maar vraagt tegelijk te erkennen dat er slechts één universeel Licht, één universeel Leven bestaat, welke weg iemand ook heeft gekozen. Het straalt in de harten van alle mensen. Het is geen specifiek christelijk of boeddhistisch licht, maar het is wel het licht dat al duizenden jaren via de Christus, de Boeddha en vele anderen op de mensheid straalt.
Tot slot wil ik gaarne een aanhalingen uit De Stem van de Stilte voordragen:
'Het is ‘de stralende essentie van de wereldziel’, een ‘licht dat geen wind kan uitdoven, dat brandt zonder pit of olie’, ‘een wervelend gouden licht’, ‘een licht dat de onpeilbare geestelijke diepten vervult en waaruit de “Stem van de gehele natuur”opstijgt’.
Wat weet ik van jouw pelgrimstocht,
wat weet jij van de mijne?
Is dit niet juist het kernpunt
van onze overtuiging
dat ieder voor zich
in eigen wezen God leert kennen?”
Uit: Hella Haasse, De scharlaken stad, Querido, 1952, blz. 81.
Het leven is een reis. Dit is een mooie metafoor. Een reis van hier naar daar, van een beginpunt naar een eindpunt. Zo maak ik ieder dag een tocht, als ik naar mijn werk ga. In de trein vergezellen me vele reisgenoten. Sommige reizigers krijgen nooit genoeg van de schoonheid van de verschillende landschappen waar we doorheen rijden. Andere zitten heel tevreden een boek of een krant te lezen, verloren of verdiept in wat ze lezen en kijken alleen zo nu en dan op wanneer ze merken dat er een station nadert. Op de terugreis lezen ze weer hetzelfde boek als op de heenreis. Reizigers lijken hun reis te maken de op hun geheel eigen wijze.
De vele kleine reizen die ik heb gemaakt hebben mij uiteindelijke geleidt naar een geestelijk pad die ik heel bewust heb verkozen. Het is een heel bijzondere pad, een pad van inwijding. Het is een pad welke ik met eerbied en voorzichtigheid van een pelgrim wil betreden. Het is de het pad van de Vrijmetselaar.
Wat mij bijzonder is bijgebleven van mijn inwijding is dat ik dit pad letterlijk mocht gaan als pelgrim. Wat een mooi en rijk symbool. Waar deze weg mij ook naar toebrengt, dit beeld zal mij altijd voor ogen blijven staan, dat wij allen pelgrims zijn en dat we allemaal op weg zijn.
In het inwijdingsritueel van de leerling vrijmetselaar leggen wij onze dagelijkse kleding en sieraden af en trekken we het kleed van pelgrim aan, omdat we geestelijke reizigers zijn. We gaan geblinddoekt op reis, ons nog onbewust van onze omgeving. Maar, wat is nu eigenlijk een pelgrim, en waarom gaan wij op reis als pelgrim.
Het prototype van de middeleeuwse reiziger was de pelgrim. Hij reisde om God te ontmoeten in de heilige (bedevaart)plaatsen. Zijn beweegredenen waren religieus van aard. Hij ging niet op reis om het genoegen van de reis zelf, maar om getuigenis af te leggen van het verschil tussen een profane en sacrale ruimte. Zijn tocht door de wereld stond in het teken van de hemel; zijn lichamelijke inspanningen kregen betekenis in het licht van zijn zielenheil dat hem op de plekken van het geloof ten deel zou vallen.Paradoxaal genoeg bestond de wereld voor de gelovige reiziger uit een aantal religieuze centra die hem eraan herinnerden dat niet hij en de wereld het centrum vormden, maar God.
Net als deze middeleeuwse pelgrim ging ik in de inwijding op reis. Drie symbolische reizen ging ik. De reizen gingen langs een vierkant welke symbool zou kunnen staan voor de stoffelijke schepping, een heilige plaats. Ik ging deze reizen naar het “oosten” geblinddoekt. De reizen eindigden op het middelpunt voor het altaar, daar werd mijn blinddoek af gedaan en zag ik het licht. Deze reizen waren niet zomaar. Ieder reis bracht zijn eigen symboliek mee en voerde mij langs de elementen aarde water lucht en vuur.
Voor de middeleeuwse pelgrim was reizen een serieuze zaak, dé manier om te leren en zichzelf te ontplooien. Idealiter bracht de reis de pelgrim in contact met andere culturen en leefwijzen, andere ideeën en gewoontes. Door zich hiervoor open te stellen, kon hij zich bevrijden van eigen vooroordelen. Zelfkennis kwam aldus in een ruimer perspectief te staan: de diversiteit van maatschappijen, mensen en meningen vormde een spiegel waarin de pelgrim zichzelf, zijn eigen leven en cultuur op een nieuwe wijze kon gaan zien. In de loge worden we regelmatig met kennis en wijsheid in contact gebracht middels bouwstukken, waardoor we verschillende onderwerpen in ruimer perspectief kunnen gaan zien. Gelijk de middeleeuwse pelgrim kunnen wij ons spiegelen aan de anderen en ons zelf hierdoor verrijken.
De pelgrim of kluizenaar is in vele religies een bekende figuur. Hij/zij symboliseert de nood om zich van tijd tot tijd terug te trekken uit de alledaagse wereld en zich te wijden aan zelfreflectie en contemplatie. Door zich af te zonderen kan hij/zij zich volledig richten op de vereniging met het goddelijke.Een Kluizenaar kiest hiervoor meestal een afgelegen plek in het woud uit of een eenzame bergtop of grot.
De contemplatie begint in ons inwijdingsritueel natuurlijk in de kamer van ontvangst. De spreuken die ik in deze kamer aantrof gaven mij de eerste aanzet tot een geestelijke verdieping. Mijn reis nam hier een aanvang. Hier werd ik teruggeworpen op mijn gevoelskant en hier werd het pelgrimskleed aangetrokken en afstand gedaan van profane zaken. Hier werden mij drie hele belangrijke vragen gesteld o.a. welke indruk ik wil nalaten als ik dit aardse bestaan heb verlaten. Een vraag die diepe indruk op mij heeft gemaakt. Ik realiseerde me dat dit een heel belangrijke vraag is, waar ik niet vaak genoeg bij stil kan blijven staan. Dit is de vraag die ik heb meegenomen op mijn reis en ik steeds weer in overweging wil nemen.
De afgelegen plek of grot van de pelgrim zie ik terugkomen in de symboliek van de kamer van overpeinzing. Hier werd ik getroffen door mooie symbolen van het vergankelijke van mijn aards bestaan. Ook hier weer de eenvoud van de pelgrim, die slechts met weinig tevreden is; een korenaar, een snede brood, wat zout en een kaars om de donkerte verdrijven. Tevens lag hier het heilige boek opengeslagen op het Evangelie van Johannes. Ook een beeldje van een haan, waarin ik het symbool erkende van een naderende dageraad. De haan kraait als de dageraad aanbreekt. De dageraad staat voor het ontluikende licht. Er lag een doodshoofd, symbool van mijn eigen sterfelijkheid en er stond een zandloper, symbool van tijd.
Het woord 'pelgrim' staat ook voor synoniem vreemdeling. Pelgrimeren heeft voor mij de betekenis gekregen van onderweg zijn en het onbekende ontmoeten. Vanuit deze optiek is pelgrimeren al zo oud als de mensheid zelf. Zowel in het verleden als nu zijn de mensen op zoek naar de zin en betekenis van hun leven hier en nu. Laten mensen zich raken en troosten door de schoonheid en de kracht van een plek op aarde. Zo is voor mij de loge een plek van rust van contemplatie geworden, waar ik met mijn broeders en zusters, deze schoonheid en kracht kan ervaren. Het leven na een pelgrimsreis altijd anders dan het leven ervoor. Op tarotprenten draagt de Kluizenaar traditioneel een lamp of lantaarn met zich mee die het licht van het innerlijk vuur symboliseert, de spirituele zoektocht naar kennis, inzicht en heelheid.
De pelgrim is het in zijn reizen aldus niet zozeer te doen om de hoeveelheid als om de kwaliteit. Bij een pelgrimstocht gaat het niet om het aantal plaatsen dat men heeft bezocht maar om de kwaliteit van de ervaring, om de diepere betekenis en waarde ervan, om een nieuwe kijk op alles te ontwikkelen, een nieuwe wijze van in de wereld staan. Zo ervaar ik ook het werk in de loge er is geen haast, deze weg is voor mij een weg voor het leven.
Pelgrims zijn ook zoekers. Dit werpt bij mij de vraag op wat het betekend zoekers of pelgrims te zijn op deze reis die wij allen aan het maken zijn.De aard van ons zoeken is afhankelijk van wat ertoe aanleiding gaf’. De eerste ‘regel’ op het pad is het zoeken naar de weg, het ontdekken van wat ons eigen pad is. Als we niet zoeken, als we ons niet realiseren dat we zoekers zijn op deze existentiële reis, dat we pelgrims zijn, dan is er ook geen richting, geen pad, geen weg. Er is geen weg totdat onze voeten het betreden hebben. Wat van het grootste belang is voor het vinden van zo’n weg, is het zoeken, het vragen. Misschien leren we, als we echte pelgrims zijn, met vragen te leven omdat we ons realiseren dat de pelgrimstocht zelf het antwoord vormt. Vragen brengen ons slechts op weg.
De magie van de pelgrimstocht, is de magie van de specifiek menselijke daad van zelfonderzoek – van voor de vraag staan wie of wat men eigenlijk is’. Dit is wat werkelijk met zoeken wordt bedoeld. Het is voor de vraag te staan wie men zelf is – dat is ons authentieke Zelf herinneren.
Dit zoeken wordt in de V\M \uitgedrukt in het ‘ken U zelve’. Dit treffen we aan als spreuk in de kamer van overpeinzing. Het is de naar binnen gerichte impuls van de ziel waaraan je dan gehoor moet geven. Vanuit het zoeken, vanuit het vragen, het onderzoeken, komt de weg te voorschijn – een weg die zowel een pad is als geen pad. Soms is het een weg ‘steil en doornig’. Voor hen die werkelijk zoeken opent zich, ‘het mysterie van de nieuwe weg’. Echt zoeken heeft dus te maken met een vraag verborgen in ons diepste wezen, dat nooit tevreden is met makkelijke antwoorden, maar die ons uiterlijk zowel als innerlijk leidt tot werkelijk weten.
Inwijding
De weg die wij gaan als vrijmetselaar is een inwijdingsweg. Een inwijding tracht een middel te zijn om de individueel zoekende mens behulpzaam te zijn op zijn levensweg, de moeilijke weg voor hen die uit innerlijke drang zelfstandig en oprecht bevredigende antwoorden trachten te vinden op hun levensvragen. Gedurende onze inwijding wordt ons dan ook gevraagd of het verlangen om ingewijd te worden echt vanuit onszelf komt.
Een inwijdingsweg geeft nergens antwoord op. De functie van een inwijdingsweg in het menselijk leven is de mens te helpen herinneren. Vaak is er gedacht dat een inwijdingsweg een antwoord geeft op alle levensvragen, maar in werkelijkheid geeft het geen antwoord op enige vraag en lost het geen enkel probleem op. Wij zelf geven antwoorden op de vragen; inwijding helpt ons alleen om te herinneren – het wekt ons op om het juiste te herinneren. Maar om wakker geschud te worden moeten wij de juiste vragen stellen, moeten we zoeken, zaken diepgaand verkennen. Wij zijn inderdaad iets vergeten. En het leven doet een beroep op ons om het ons weer in herinnering te brengen – te herinneren wie we zijn, omdat wanneer we ons herinneren wie we zijn we dan ook de weg gevonden hebben.
Heel de menselijke geschiedenis door vindt men rituelen die te maken hebben met een toetreding tot een bepaalde gemeenschap en de overgang naar een nieuwe bestaanswijze.Inwijdingsrituelen zijn van alle tijden en zijn aldus universeel. Het gaat om de inwijding in het leven door geboorterituelen, maar evengoed om het op rituele wijze voltrekken van de overgang naar het bestaan van kind, puber en volwassene, en naar een nieuwe gemeenschap.
Opmerkelijk is dat alle inwijdingsriten met elkaar verwant zijn, doordat ze handelen over een scheiding of een symbolische dood gevolgd door een wedergeboorte. Dit zinnebeeld van een hiernamaals zie ik ook duidelijk in ons ritueel: geblinddoekt trad ik de tempel binnen, symbool van onwetendheid. De eerste reis tegemoet gaande. De eerste en de tweede reis versymboliseerde de gang door de lagere werelden. Tenslotte na de derde reis, werd mij voor het altaar de blinddoek afgenomen, opdat ik het volle licht mocht aanschouwen. Deze derde reis voltrok zich in tegenstelling tot de eerste twee reizen in een volkomen stilte.
Inwijdingsrituelen zijn rituelen die uitdrukken dat men de oude levensfase achterlaat en wordt opgenomen in een nieuwe. Een persoon kan dan ook maar één keer dezelfde initiatie ondergaan: er is geen weg terug. Het kind (of de volwassene) laat het oude leven achter en wordt opgenomen in de gemeenschap van de ingewijden. Dit heb ik duidelijk ervaren op het moment ik opgenomen werd in de broederketen. Ik heb dit ervaren als een heel bijzonder warm moment. Een waarlijk welkom in de loge.
De machtige gloed van de inwijding heeft zijn weerkaatsing op veel niveaus en in veel aspecten. Het maakt de rijkdom aan betekenis van de inwijding mooi en vaak zo tastbaar. Op verschillende manieren kunnen wij dit benaderen en steeds, afhankelijk van ons bevattingsvermogen, is onze microkosmos doortrokken van de werkzaamheid van de macrokosmos. In de inwijding wordt een eerste stap van een mens van licht zichtbaar.
Het stadium wordt bereikt waarop de mens “in de wereld, maar niet van de wereld” is. Inwijding is de grote stap in de evolutie waarbij een nieuw begin wordt gemaakt. De plechtige eed van de gehele toewijding aan en het werken voor het welzijn van de wereld kenmerkt deze stap. Door toe te treden in de gelederen van hen die op het pad van zuivering en verlichting staan, wordt de verantwoordelijkheid voor het welzijn van de wereld op een bijzondere wijze gedragen. De ster van de inwijding straalt boven de mens die in zijn leven dit keerpunt bereikt, die de queeste op een nieuwe wijze voortzet en die geboren wordt in de gemeenschap van hen die reeds hun “gewaden” wit gewassen hebben.
Het inwijdingsmysterie herhaalt zich op steeds verder reikende punten, het is tevens een voortdurend gebeuren. Elke afronding is een nieuw begin, elke inwijding opent een ruimer voortgaan, waarbij op het juiste moment weer een volgende stap zal plaatsvinden.
Wanneer wij de betekenis van inwijding zo bekijken, zien wij hierin de markeringspunten die de keerpunten zijn op de weg die wij gaan. Het is een steeds wijkende horizon van verruimende groei.Uit de oudheid is het gebruik bekend dat de inwijdeling verscheidene beproevingen moest doorstaan om de inwijding te ontvangen.
De spirituele groei, de inwijding wordt zichtbaar in de toename van het goddelijk licht, de “Splendor Solis” in de mens.
De groei is een voortdurend proces, niet gesitueerd op slechts enkele momenten gedurende de omkeringen in het bestaan door de grote inwijdingen. Wanneer wij het gehele leven als een voortdurende inwijding benaderen, wanneer inwijding een mystiek en universeel gegeven is dat permanent op een bepaalde wijze functioneert, dan krijgt de esoterische lering die hierin besloten ligt kracht en inspirerende werking.
Wanneer wij treden in de heilige tijd, zoals deze in mysteriën en in ritualen voorkomt, maar die ook in ons bewustzijn die verbinding weergeeft waarbij de scheidswanden van de fysieke wereld verdwijnen en de mystieke realiteit naar voren treedt, is elke handeling een inwijdingshandeling, is elke daad een heilige daad en is het in de inwijding gesymboliseerde proces een universeel en voortdurend proces. Het is de toename van onze zuiverheid en inzicht waardoor het Hoger Zelf zich kan manifesteren. Alle stappen en aanzichten zijn voortdurend aanwezig. In deze machtige stroom vallen dan de bijzondere momenten waar de grote omkering plaatsvindt, waar de overgang is naar de nieuwe orde. De weg van inwijding is een voortdurend proces in het evenwicht van sterven en geboren worden. In het klein bestaat wat in het groot ook is. Zo boven, zo beneden.
Licht
In de inwijding is mij de zegen van het licht gegeven, maar wat is nu eigenlijk licht. Door licht kunnen we dingen zien en de dagelijkse dingen om ons heen onderscheiden. Dit ontstaat door weerkaatsing van specifieke lichtfrequenties, welke we waarnemen als kleuren. Licht dat door de ruimte reist zonder te worden weerkaatst, is onzichtbaar. Het is een paradox dat het meeste licht onzichtbaar is en daarom in feite duisternis is. Licht wordt dus pas waarneembaar voor het menselijk oog als het door een stoffelijk voorwerp wordt weerkaatst. Door deze weerkaatsing wordt het door onze zintuigen opgevangen en door ons bewustzijn waargenomen.Wanneer licht in aanraking komt met doorzichtige materie van verschillende dikte – bijvoorbeeld een prisma of een regendruppel – wordt wit licht gedifferentieerd in de bekende kleuren van het spectrum.
Als geestelijk of goddelijk licht zich net zo zou gedragen als fysiek licht zou dit impliceren dat het onzichtbaar is, in duisternis is, tot het door de stof wordt weerkaatst. Het goddelijk licht zou dan ook onzichtbaar zijn tot het door de stof wordt weerkaatst. De stof die het licht weerspiegeld is het noodzakelijke voertuig of de drager ervan. Het lijkt erop dat licht per definitie een wezen zoekt dat ermee kan omgaan en het kan transformeren om het zichtbaar te maken.De stoffelijke mens blijkt dan opeens een noodzakelijk voertuig of drager van geestelijk licht zijn. Zelfs goddelijk licht kan niet worden weerkaatst, tenzij er een wezen is dat ermee kan omgaan en het kan transformeren om het zichtbaar te maken.
Licht is misschien meer dan alleen vibrerende straling – licht is mogelijk een eigenschap of kenmerk dat eigen is aan bewustzijn. Licht kan dus op meer dan alleen het fysieke gebied bestaan en erop inwerken. Metafysisch gesproken is ‘licht de manifestatie van de levenskracht van een god’ Dit suggereert dat het fysieke verschijnsel‘licht’ niet zelf een oorzaak is, maar zijn oorsprong heeft in een hoger gebied – dat voor onze zintuigen en ons denken duisternis is, maar niet voor onze goddelijke natuur.
We kunnen erover speculeren of licht zijn oorsprong vindt op gebieden die ver verheven zijn boven het fysieke gebied waartoe onze zintuigen gewoonlijk zijn beperkt. Misschien is licht een uiting van een of andere graad van bewustzijn – van goddelijke of elementale aard. Ieder gebied beïnvloedt de aangrenzende gebieden; en wanneer aan de fysieke omstandigheden en voorwaarden is voldaan, kan licht zich manifesteren – door het aanstrijken van een lucifer of door het drukken op een lichtschakelaar. Of misschien door een flits van inzicht of een daad van mededogen. Misschien zijn we in meer letterlijke zin ‘lichtbrengers’ dan we wel denken.
Goddelijk licht
In alle culturen wordt het woord licht in overdrachtelijke zin gebruikt voor de aanwezigheid van een nieuw bewustzijn. Soms gaat het om een alledaags nieuw inzicht zoals in de zin: ‘Dit werpt een nieuw licht op deze zaak’; maar veel vaker betreft het een wezenlijke, allesomvattende bewustzijns-verandering, zoals in de term ‘een verlichte leraar’. Geestelijke verlichting is het intreden in een nieuwe wereld, waarin alles een nieuw perspectief krijgt. Geestelijk licht is vrijwel synoniem met wijsheid, want de verlichte mens ziet alles in een wijd en universeel perspectief. Licht is een prachtige metafoor om bewustzijn en wijsheid te beschrijven.
Maar licht en bewustzijn maken wel alle stoffelijke dingen zichtbaar en transcenderen alle vormen. Tegenover licht staat duisternis. In overdrachtelijke zin is duisternis niet het kwade, maar onwetendheid. Dit betekent letterlijk het niet-weten, het niet-zien van de werkelijkheid. En dit houdt in dat de weg naar het licht in eerste en laatste instantie het oplossen is van de eigen onwetendheid. Deze weg naar het licht staat los van uiterlijke factoren zoals andere mensen of organisaties en heeft nooit te maken met uiterlijke ambitie of status; de weg naar het licht is niet anders dan een innerlijke opgave.
Het Licht waar de V:.M:.over spreekt is een universeel Licht. Dit licht wordt verzinnebeeld in de wat de drie grote lichten wordt genoemd; het B:.v:.d:.H:.K:., de W:. en de P:>
Het is het licht van waarheid, dat schijnt uit ‘een wereld waar alle schaduwen onbekend zijn’, een licht dat niemand persoonlijk toebehoort. Iedere weg naar het licht is dus een weg naar binnen en impliceert het oplossen van onze eigen onwetendheid. Omdat ieder een andere innerlijke structuur bezit, zal ook iedere mens een andere weg naar het licht gaan.
Daarom verdienen alle grote religieuze geschriften der wereld onze ernstige aandacht en kan zowel de Koran als de bijbel of welke andere heilige geschrift op het altaar liggen. De V:.M:. respecteert ieders individuele weg maar vraagt tegelijk te erkennen dat er slechts één universeel Licht, één universeel Leven bestaat, welke weg iemand ook heeft gekozen. Het straalt in de harten van alle mensen. Het is geen specifiek christelijk of boeddhistisch licht, maar het is wel het licht dat al duizenden jaren via de Christus, de Boeddha en vele anderen op de mensheid straalt.
Tot slot wil ik gaarne een aanhalingen uit De Stem van de Stilte voordragen:
'Het is ‘de stralende essentie van de wereldziel’, een ‘licht dat geen wind kan uitdoven, dat brandt zonder pit of olie’, ‘een wervelend gouden licht’, ‘een licht dat de onpeilbare geestelijke diepten vervult en waaruit de “Stem van de gehele natuur”opstijgt’.
dinsdag 19 januari 2010
De Dames van de Vrijmetselarij
Bent u ook zo gek op historische foto's? Sterzoeker heeft in de loop der tijd een aardige collectie oude foto's verzameld, die verband hebben met magie, mystiek of oude mysteriën, daar zitten ook prachtige foto's tussen van dames die bekleed zijn met regalia van de vrijmetselarij.
Dames en vrijmetselarij...MMmm zult u denken, gaat dat wel samen? Wel degelijk dus, kijk maar eens naar onderstaande foto's.











Dames en vrijmetselarij...MMmm zult u denken, gaat dat wel samen? Wel degelijk dus, kijk maar eens naar onderstaande foto's.











zondag 6 september 2009
De Hogere Graden binnen de Vrijmetselarij
Vanmiddag realiseerde ik me opeens dat vrijwel niemand iets weet te vertellen over de hogere graden, binnen de vrijmetselarij, tenzij je er zelf in zit natuurlijk. Ik kwam op deze gedachte omdat er nog steeds geruchten gaan, dat het nog te verschijnen nieuwe boek van Dan brown, over de Hogere graden van de vrijmetselarij zal gaan. Mocht dit het thema zijn van Browns nieuwste boek, dan wordt het de hoogste tijd voor een snelle bijscholing.
Tijd dus om een lichtje op te werpen op deze materie. Over de eerste drie graden is nog wel het een en ander terug te vinden, maar daarna houdt het voor de buitenstaander zo'n beetje op. Ik zal in deze blog trachten om een tipje van deze sluier op te lichten, over de gebruikte symbolieken binnen de hogere graden van de vrijmetselarij.
Binnen de vrijmetselarij is met het toetreden tot de derde graad een cyclus af. In deze drie graden zit alles. De graden die hier opvolgen zijn een verdieping van deze eerste drie graden.
De Vierde Graad.
In de vierde graad van de vrijmetselarij ligt symbolisch de nadruk op loutering, die vooraf moet gaan aan het betreden van de heilige grond. Deze loutering wijst erop dat het naderen van het heilige der Heiligen slechts mogelijk is "in ootmoedig en eerbiedig stilzwijgen". Dit was ook het geval in de leerlingen graad en wordt dit nogmaals benadrukt, ditmaal met verwijzingen naar de kabbalistische symboliek.
In de eerste graad is de tempel, in zijn opbouw van de tempelopbouw, gebaseerd op de kabbalistische levensboom, maar daar wordt niet meer naar deze symboliek verwezen dan dat het geheel zich afspeelt in de tempel van koning Salomon.
In de vierde graad gaat het zoeken naar de onuitsprekelijke naam een rol spelen. Dat verloren woord blijft dan tot en met de viertiende datgene waar alles om draait:
het woord is verloren gegaan door de ontijdige dood van Meester Hiram Abiff. Dit wordt reeds uitgebeeld in de derde graad. Dit is dus het ware geheim van de vrijmetselarij: De zoektocht en het vinden van het geheime woord.
Van de drie wetende is er dus een door bruut geweld, door "gebrek aan eerbied en respect" kunnen we zeggen omgebracht. Het veloren gaan van dit woord staat symbool voor het verstoorde contact met de hoogste driehoek in de kabbalistische levensboom. Dit wordt uitgedrukt als de abbys of afgrond. Dit wordt ook symbolisch uitgedrukt in de leerlingen-eed. Hier wordt gezegd: dat het "hoofd van de romp" zal worden geschieden, indien een vrijmetselaar de door hem afgelegde eed zal schenden. Deze ramp, het afgeschieden zijn van het allerhoogste is door toedoen van een boze gezel ontstaan
De vierde graad leert de vrijmetselaar; "wel mogen wij de dood van zulk een groot mens betreuren". En het vierde ritueel leert dat rouw om dat verlies op zijn plaats is, maar dat onlangs alles het wezen van de vermoorde, zijn hart onaantastbaar is en dat slechts de diepste eerbied past tegenover dit onschendbaar wezen.
De Vijfde Graad.
De opdracht van de vijfde graad van de vrijmetselarij is: de herinnering aan dit ware wezen levendig te houden. Er wordt een begrafenisplechtigheid georganiseerd en een grafmonument opgericht, bestaande uit een zwart marmeren kubus met daarop een wit marmeren driekante obelisk. Waarmee dus het onderscheid geaccentueerd wordt tussen stof en geest.
Vervolgens wordt er gewezen op nog een andere gevolg van het uitvallen van Hiram Abiff: de twee die met hem door belofte gebonden waren geweest, blijken zonder no 3. niet meer met elkaar over weg te kunnen. Dit toont aan, dat er bij gemis van een factor uit een drie-eenheid alles uit zijn verband raakt.
Als we goed en wel kijken kunnen we binnen de esoterische leer, de gedacht waarnemen, dat als we uit een trits als ; Wijsheid, Kracht, Schoonheid, of als Kennen, het Gekende, en de Kennis, of als Schepping, het Geschapene, De Scheppingsdaad, of als These, Antithese en Synthese, er eentje van de drie weglaten, tegelijk met het verband ook de zin verloren gaat. Zo werkt de menselijke geest nu eenmaal.
Wanneer bijvoorbeeld alleen These en Antithese overblijven, blijft de tegenstelling bestaan en wordt deze niet door een Synthese opgeheven. Zo ook raakte na Hiram Abiff's dood koning Salomon slaags met Koning Hiram van Tyrus. Dit is het verhaal van de zesde graad van de vrijmetselarij. Daarin komt Koning Hiram van Tyrus onverwachts en onbesuisd de toegang forceren tot koning Salomo’s audiëntiezaal, om zich te beklagen over de geringe vergoeding die Salomo hem had gegeven, voor al Hiram's leveranties ten behoeve van de bouw van de Tempel. De toegezegde steden en landerijen bleken verwaarloosd en arm te zijn, in plaats van welvarend, zoals afgesproken.
Een heftige woordenwisseling tussen beide vorsten is het gevolg. Een lid van Salomo's lijfwacht, Joabert, die buiten de deur, dit gekijf binnen hoort, schiet toe om de naar zijn indruk bedreigde meester te hulp te komen en Koning Hiram van Tyrus te lijf te gaan. Door tussenkomst van een andere dienaar van Salomo, wordt deze nog net niet gedood, maar wel moet hij zich over zijn onbescheiden binnendringen in het vertrek, tegenover zijn meester Koning Salomo, verantwoorden. deze zegt namelijk dat Joabert blijkbaar aan de deur het gesprek heeft staan afluisteren.
Joabert's uitleg dat het slechts bezorgdheid, over zijn meester was geweest, die hem aldus had doen handelen, en dus geen nieuwsgierigheid, blijkt tenslotte Koning Salomo te voldoen. Nu kunnen dan Salomo en Koning Hiram van Tyrus tot rustig overleg en de hel zaak wordt in de minne geschikt. Zelfs wordt Joabert als beloning voor zijn grote zorg tot geheimschrijver benoemd, om het nieuwe contract tussen beide vorsten op te maken.
zesde Graad
Symbolisch gezien zou deze episode tussen Salomo en Hiram van Tyrus uitgelegd kunnen worden als een plotseling doorbreken van het verwaarloosde Gevoel (Hiram) tot het terrein van de Rede (Salomo).
Juist dat onbeduisde binnenrennen en forceren van de toegang door Hiram van Tyrus is daar een treffend beeld van. Joabert, waarmee de kandidaat zich in deze graad mee moet vereenzelvigen, is de wel ondoordachte, maar vurige en goedbedoelende held ervan. Daarom wordt hij dus tot slot verheven tot “geheimschrijver”.
Zevende graad
Hiermee is dus de vrede aan de top weer getekend, maar nog blijkt door de ontstentenis van Hiram Abiff zo en dan gekibbel onder de arbeiders te ontstaan. In de zevende graad stelt Koning Salomo zoveel honderd “Harodim” als opzichters over hen aan. Dit was bij het leven van Hiram Abiff niet nodig geweest .
Achtste graad
Tenslotte worden in de achtste graad alle arbeiders ingedeeld in vijf groepen, welk onder een “Intendant der Gebouwen”
Hiermee is een episode afgesloten. De arbeid is nu van bovenaf geordend en de volgende stap wordt dan . Het opsporen van de moordenaars van Hiram Abiff en hun bestraffing. Dit gebeurd in de zogenaamde ELU- graden, negen tien en elf.
Het blijkt weer dat de mythe van de derde graad in de onuitsprekelijke graden, in detalis wordt uitgewerkt; want dit gedeelte wordt in het kort al in de derde graad van de vrijmetselarij verteld, maar nu nog eens uitgewerkt in de ELU graden.
In de negende graad komt een herder, een eenvoudige man dus aan koning Salomo en vele van diens metselaren vertellen, dat hij in een grot aan de kust bij Joppe 3 personen, die aan het signalement beantwoorden, heeft ontdekt. Salomo wijst bij loting negen van zijn mensen aan om met de herder als gids naar de aangewezen plaats te gaan. De meest enthousiaste , alweer Joabert, snelt vooruit, treft in een grot een van de moordenaars slapend aan, met een dolk aan zijn voeten. Jaobert pakt de dolk en steekt die eerst in ’s mans hoofd, dan in zijn hart.
Aan zijn acht metgezellen vertelt Joabert (en er wordt bijgezegd “nadat hij eerst zijn dorst aan de bron gelest heeft”) “Ik heb de moordenaar van onze Grote Meester gedood en heb daarmee een daad verricht te ere van de Koninklijke Kunst, waarvoor ik beloond hoop te worden”. Dan scheidt hij het hoofd van de romp en keert met hoofd en dolk, samen met de acht anderen naar Jeruzalem terug. Echter hij heeft zo’n haast om het nieuws te melden, dat hij niet op de wachters aan de deur van Koning Salomo’s palies let en zich rechtstreeks naar de Koning spoed.
Salomo is eigenlijk beledigd dat zijn favoriet, de enthousiaste Joabert, hem niet in de gelegenheid heeft gesteld tot wraakneming, en wil hem door zijn lijfwachten laten doden. Maar op voorspraak van de andere arbeiders Schenkt hij hem vergiffenis voor zijn overgrote ijver; Hier heeft dus een verzoening plaats tussen Wijsheid en Enthousiasme. Alle 9 uitgezonden arbeiders krijgen tot slot de bij die gelegenheid ingestelde graad van : Uitverkoren van Negen. Dit is de negende graad in de vrijmetselarij.
In de tiende graad ( of uitverkoren meester van vijftien) wordt naar beide , ontsnapte “Boze gezellen” gezocht; dit maal worden er behalve de negen oorspronkelijke nog 6 andere uitgezonden. Op aanwijzing van de koning van Gath, Maaka , vinden 3 van hen ze in de steengroeve van Bendakar. Geketend worden ze meegevoerd naar Jeruzalem en na een dag gevangen hebben gezeten in de toren van Achizar, terecht gesteld. Deze twee gezellen worden beschouwd als symbolen voor 2 speciale vijanden van de vrijheid van ziel en lichaam , namelijk eerzucht en fanatisme, die leiden tot vervolging en onverdraagzaamheid. De speciale opdracht van de tiende graad is dan ook “het bepleiten van de zaak der verdrukten, en verdraagzaanheid”. Na de terecht stelling der beide moordenaars is toen door Koning Salomo voor 12 van de uitgezonden Uitverkoren Meesters de graad van “Uitverkoren Verheven Meester” (dit is de elfde graad) ingesteld, als heren over twaalf stammen van Israel.
Na deze afstraffing en verdeling van de Macht over twaalf, benoemt Salomo Adoniram tot vervanger van Hiram Abiff en dus tot gelijke van de Koningen Salomo en Hiram van Tyrus. Later werd deze graad ook toebedeeld aan de anderen. De titel is Groot Meester Architect. Dit is de twaalfde graad.
Nu na het herstel van de drievoudige heerschappij is blijkbaar de baan vrij voor het vinden van Heilige naam. Henoch, afstammeling van Adam in de zesde generatie, heeft volgens de overlevering een visioen gehad, waarin hem beloofd werd, dat hij de Ware naam zou leren kennen. Zoals hij in het visioen gezien heeft . graaft hij, in Kanaan, geholpen door zijn zoon Methusalem, negen ruimtes onder elkaar uit, die elk met een boog afgedekt zijn; aan de top van elke boog was een kleine opening, met een vierkante steen bedekt. De onderste ruimte was in de rots uitgehouwen, en boven de bovenste bouwde henoch een bescheiden tempel zonder dak, uit enorme onbehouwen stenen, voor de Oper Bouwheer des Heelal.
Onderin vond hij in, in een agaten kubus gelaten, een driehoekige gouden plaat met de Onuitsprekelijke Naam . Henoch zorgde ervoor dat die nooit ontdekt zou worden, door de opening te bedekken met een steen waaraan een grote ijzeren ring en over dit alles heen de granieten vloer van zijn primitieve tempel , te leggen.
Deze blog is nog niet af. Ook komen er nog meer plaatjes bij. Hier wordt nog aan gewerkt, maar nu heb ik even geen zin meer! Later volgt dus nog meer wetenswaardigheden met betrekking tot de vrijmetselarij.
Tijd dus om een lichtje op te werpen op deze materie. Over de eerste drie graden is nog wel het een en ander terug te vinden, maar daarna houdt het voor de buitenstaander zo'n beetje op. Ik zal in deze blog trachten om een tipje van deze sluier op te lichten, over de gebruikte symbolieken binnen de hogere graden van de vrijmetselarij.
Binnen de vrijmetselarij is met het toetreden tot de derde graad een cyclus af. In deze drie graden zit alles. De graden die hier opvolgen zijn een verdieping van deze eerste drie graden. De Vierde Graad.
In de vierde graad van de vrijmetselarij ligt symbolisch de nadruk op loutering, die vooraf moet gaan aan het betreden van de heilige grond. Deze loutering wijst erop dat het naderen van het heilige der Heiligen slechts mogelijk is "in ootmoedig en eerbiedig stilzwijgen". Dit was ook het geval in de leerlingen graad en wordt dit nogmaals benadrukt, ditmaal met verwijzingen naar de kabbalistische symboliek.
In de eerste graad is de tempel, in zijn opbouw van de tempelopbouw, gebaseerd op de kabbalistische levensboom, maar daar wordt niet meer naar deze symboliek verwezen dan dat het geheel zich afspeelt in de tempel van koning Salomon. In de vierde graad gaat het zoeken naar de onuitsprekelijke naam een rol spelen. Dat verloren woord blijft dan tot en met de viertiende datgene waar alles om draait:
het woord is verloren gegaan door de ontijdige dood van Meester Hiram Abiff. Dit wordt reeds uitgebeeld in de derde graad. Dit is dus het ware geheim van de vrijmetselarij: De zoektocht en het vinden van het geheime woord.
Van de drie wetende is er dus een door bruut geweld, door "gebrek aan eerbied en respect" kunnen we zeggen omgebracht. Het veloren gaan van dit woord staat symbool voor het verstoorde contact met de hoogste driehoek in de kabbalistische levensboom. Dit wordt uitgedrukt als de abbys of afgrond. Dit wordt ook symbolisch uitgedrukt in de leerlingen-eed. Hier wordt gezegd: dat het "hoofd van de romp" zal worden geschieden, indien een vrijmetselaar de door hem afgelegde eed zal schenden. Deze ramp, het afgeschieden zijn van het allerhoogste is door toedoen van een boze gezel ontstaan
De vierde graad leert de vrijmetselaar; "wel mogen wij de dood van zulk een groot mens betreuren". En het vierde ritueel leert dat rouw om dat verlies op zijn plaats is, maar dat onlangs alles het wezen van de vermoorde, zijn hart onaantastbaar is en dat slechts de diepste eerbied past tegenover dit onschendbaar wezen.
De Vijfde Graad.
De opdracht van de vijfde graad van de vrijmetselarij is: de herinnering aan dit ware wezen levendig te houden. Er wordt een begrafenisplechtigheid georganiseerd en een grafmonument opgericht, bestaande uit een zwart marmeren kubus met daarop een wit marmeren driekante obelisk. Waarmee dus het onderscheid geaccentueerd wordt tussen stof en geest.
Vervolgens wordt er gewezen op nog een andere gevolg van het uitvallen van Hiram Abiff: de twee die met hem door belofte gebonden waren geweest, blijken zonder no 3. niet meer met elkaar over weg te kunnen. Dit toont aan, dat er bij gemis van een factor uit een drie-eenheid alles uit zijn verband raakt. Als we goed en wel kijken kunnen we binnen de esoterische leer, de gedacht waarnemen, dat als we uit een trits als ; Wijsheid, Kracht, Schoonheid, of als Kennen, het Gekende, en de Kennis, of als Schepping, het Geschapene, De Scheppingsdaad, of als These, Antithese en Synthese, er eentje van de drie weglaten, tegelijk met het verband ook de zin verloren gaat. Zo werkt de menselijke geest nu eenmaal.
Wanneer bijvoorbeeld alleen These en Antithese overblijven, blijft de tegenstelling bestaan en wordt deze niet door een Synthese opgeheven. Zo ook raakte na Hiram Abiff's dood koning Salomon slaags met Koning Hiram van Tyrus. Dit is het verhaal van de zesde graad van de vrijmetselarij. Daarin komt Koning Hiram van Tyrus onverwachts en onbesuisd de toegang forceren tot koning Salomo’s audiëntiezaal, om zich te beklagen over de geringe vergoeding die Salomo hem had gegeven, voor al Hiram's leveranties ten behoeve van de bouw van de Tempel. De toegezegde steden en landerijen bleken verwaarloosd en arm te zijn, in plaats van welvarend, zoals afgesproken.
Een heftige woordenwisseling tussen beide vorsten is het gevolg. Een lid van Salomo's lijfwacht, Joabert, die buiten de deur, dit gekijf binnen hoort, schiet toe om de naar zijn indruk bedreigde meester te hulp te komen en Koning Hiram van Tyrus te lijf te gaan. Door tussenkomst van een andere dienaar van Salomo, wordt deze nog net niet gedood, maar wel moet hij zich over zijn onbescheiden binnendringen in het vertrek, tegenover zijn meester Koning Salomo, verantwoorden. deze zegt namelijk dat Joabert blijkbaar aan de deur het gesprek heeft staan afluisteren.
Joabert's uitleg dat het slechts bezorgdheid, over zijn meester was geweest, die hem aldus had doen handelen, en dus geen nieuwsgierigheid, blijkt tenslotte Koning Salomo te voldoen. Nu kunnen dan Salomo en Koning Hiram van Tyrus tot rustig overleg en de hel zaak wordt in de minne geschikt. Zelfs wordt Joabert als beloning voor zijn grote zorg tot geheimschrijver benoemd, om het nieuwe contract tussen beide vorsten op te maken.
zesde Graad
Symbolisch gezien zou deze episode tussen Salomo en Hiram van Tyrus uitgelegd kunnen worden als een plotseling doorbreken van het verwaarloosde Gevoel (Hiram) tot het terrein van de Rede (Salomo).
Juist dat onbeduisde binnenrennen en forceren van de toegang door Hiram van Tyrus is daar een treffend beeld van. Joabert, waarmee de kandidaat zich in deze graad mee moet vereenzelvigen, is de wel ondoordachte, maar vurige en goedbedoelende held ervan. Daarom wordt hij dus tot slot verheven tot “geheimschrijver”. Zevende graad
Hiermee is dus de vrede aan de top weer getekend, maar nog blijkt door de ontstentenis van Hiram Abiff zo en dan gekibbel onder de arbeiders te ontstaan. In de zevende graad stelt Koning Salomo zoveel honderd “Harodim” als opzichters over hen aan. Dit was bij het leven van Hiram Abiff niet nodig geweest .
Achtste graad
Tenslotte worden in de achtste graad alle arbeiders ingedeeld in vijf groepen, welk onder een “Intendant der Gebouwen”
Hiermee is een episode afgesloten. De arbeid is nu van bovenaf geordend en de volgende stap wordt dan . Het opsporen van de moordenaars van Hiram Abiff en hun bestraffing. Dit gebeurd in de zogenaamde ELU- graden, negen tien en elf.
Het blijkt weer dat de mythe van de derde graad in de onuitsprekelijke graden, in detalis wordt uitgewerkt; want dit gedeelte wordt in het kort al in de derde graad van de vrijmetselarij verteld, maar nu nog eens uitgewerkt in de ELU graden.
In de negende graad komt een herder, een eenvoudige man dus aan koning Salomo en vele van diens metselaren vertellen, dat hij in een grot aan de kust bij Joppe 3 personen, die aan het signalement beantwoorden, heeft ontdekt. Salomo wijst bij loting negen van zijn mensen aan om met de herder als gids naar de aangewezen plaats te gaan. De meest enthousiaste , alweer Joabert, snelt vooruit, treft in een grot een van de moordenaars slapend aan, met een dolk aan zijn voeten. Jaobert pakt de dolk en steekt die eerst in ’s mans hoofd, dan in zijn hart.
Aan zijn acht metgezellen vertelt Joabert (en er wordt bijgezegd “nadat hij eerst zijn dorst aan de bron gelest heeft”) “Ik heb de moordenaar van onze Grote Meester gedood en heb daarmee een daad verricht te ere van de Koninklijke Kunst, waarvoor ik beloond hoop te worden”. Dan scheidt hij het hoofd van de romp en keert met hoofd en dolk, samen met de acht anderen naar Jeruzalem terug. Echter hij heeft zo’n haast om het nieuws te melden, dat hij niet op de wachters aan de deur van Koning Salomo’s palies let en zich rechtstreeks naar de Koning spoed.
Salomo is eigenlijk beledigd dat zijn favoriet, de enthousiaste Joabert, hem niet in de gelegenheid heeft gesteld tot wraakneming, en wil hem door zijn lijfwachten laten doden. Maar op voorspraak van de andere arbeiders Schenkt hij hem vergiffenis voor zijn overgrote ijver; Hier heeft dus een verzoening plaats tussen Wijsheid en Enthousiasme. Alle 9 uitgezonden arbeiders krijgen tot slot de bij die gelegenheid ingestelde graad van : Uitverkoren van Negen. Dit is de negende graad in de vrijmetselarij.
In de tiende graad ( of uitverkoren meester van vijftien) wordt naar beide , ontsnapte “Boze gezellen” gezocht; dit maal worden er behalve de negen oorspronkelijke nog 6 andere uitgezonden. Op aanwijzing van de koning van Gath, Maaka , vinden 3 van hen ze in de steengroeve van Bendakar. Geketend worden ze meegevoerd naar Jeruzalem en na een dag gevangen hebben gezeten in de toren van Achizar, terecht gesteld. Deze twee gezellen worden beschouwd als symbolen voor 2 speciale vijanden van de vrijheid van ziel en lichaam , namelijk eerzucht en fanatisme, die leiden tot vervolging en onverdraagzaamheid. De speciale opdracht van de tiende graad is dan ook “het bepleiten van de zaak der verdrukten, en verdraagzaanheid”. Na de terecht stelling der beide moordenaars is toen door Koning Salomo voor 12 van de uitgezonden Uitverkoren Meesters de graad van “Uitverkoren Verheven Meester” (dit is de elfde graad) ingesteld, als heren over twaalf stammen van Israel.
Na deze afstraffing en verdeling van de Macht over twaalf, benoemt Salomo Adoniram tot vervanger van Hiram Abiff en dus tot gelijke van de Koningen Salomo en Hiram van Tyrus. Later werd deze graad ook toebedeeld aan de anderen. De titel is Groot Meester Architect. Dit is de twaalfde graad.
Nu na het herstel van de drievoudige heerschappij is blijkbaar de baan vrij voor het vinden van Heilige naam. Henoch, afstammeling van Adam in de zesde generatie, heeft volgens de overlevering een visioen gehad, waarin hem beloofd werd, dat hij de Ware naam zou leren kennen. Zoals hij in het visioen gezien heeft . graaft hij, in Kanaan, geholpen door zijn zoon Methusalem, negen ruimtes onder elkaar uit, die elk met een boog afgedekt zijn; aan de top van elke boog was een kleine opening, met een vierkante steen bedekt. De onderste ruimte was in de rots uitgehouwen, en boven de bovenste bouwde henoch een bescheiden tempel zonder dak, uit enorme onbehouwen stenen, voor de Oper Bouwheer des Heelal.
Onderin vond hij in, in een agaten kubus gelaten, een driehoekige gouden plaat met de Onuitsprekelijke Naam . Henoch zorgde ervoor dat die nooit ontdekt zou worden, door de opening te bedekken met een steen waaraan een grote ijzeren ring en over dit alles heen de granieten vloer van zijn primitieve tempel , te leggen.
Deze blog is nog niet af. Ook komen er nog meer plaatjes bij. Hier wordt nog aan gewerkt, maar nu heb ik even geen zin meer! Later volgt dus nog meer wetenswaardigheden met betrekking tot de vrijmetselarij.
Abonneren op:
Posts (Atom)