zondag 19 juli 2009

Egyptische Rituele houdingen


"WRD" - Moe, uitputting
Non-activiteit, traagheid, Begrafenis rituelen en klaagzangen




"KSI" - buigen
Eeren van de goden en de goddelijke koning en riten van onderdanigheid en het tonen respect



"SHR" - Weg jagen, verwensen
Rituele uitbanningen en verbanning





"WAB" - Zuiver, schoon
Voorbereiding voor een ritueel, purificatie





"DWA" - smeken, aanbidden
Eer betonen(lof) en de handelingen van smeekbede.





"HNW" - Jubelstemming
Herdenking van de overwinning van Horus op Seth, de Henu Rite.





"NOS" - Roepen, aanroepen, bevelen
Formeel aanroepen van de goden en de nobele dood.





"XBI" - Dans, vreugde
Uitingen van vreugde en geluk in de aanwezigheid van het goddelijke.





Vertaling: Engels » Nederlands
"DWA" - Lof, smeken, adore
Het reciteren van hymnen en het brengen van lof aan de goden en Pharao.



"HAI" - Hoog, vreugde, verheugen, uitroepen
Hoogste expressie van viering en geestelijke vreugde

zaterdag 18 juli 2009

Seth en Osiris




woensdag 15 juli 2009

Egypte en de kringloop van het leven

De natuurvisie in het oude Egypte werd gedomineerd door het geloof in een kringloop van leven, dood en wedergeboorte. In natuurverschijnselen als de jaarlijkse overstroming van de Nijl, en het dagelijks ondergaan en opkomen van de zon, werd deze kringloop herkend.

Eeuwig leven

De kringloop was een gevolg van een godenstrijd, die nooit definitief gewonnen kon worden door het goede of het kwade. Zo geloofden de Egyptenaren dat de zon iedere avond stierf. De hemelgodin Noet slikte hem in, waarna een nacht in de onderwereld volgde en de zonnegod strijd moest leveren met de machten van het kwaad. 's Ochtends werd de zon weer geboren. Het ochtendrood werd aangezien voor het bloed dat bij de geboorte vloeit.

De cartouche, een koord waarvan het einde aan het begin is gebonden, is het symbool van de eeuwigdurende kringloop. In Egyptische teksten is de naam van een farao vaak omcirkeld door een cartouche. Door de magische kracht die de Egyptenaren aan het hiëroglyf toekenden, zou de farao op deze manier van het eeuwige leven verzekerd zijn.

Stabiliteit

De enige natuur die de Egyptenaren kenden, was die van Egypte. En hier waren de natuurlijke omstandigheden eeuwenlang uiterst stabiel. Er waren drie seizoenen van elk vier maanden: Droogte, Overstroming en Opkomen. In de zomermaanden, wanneer de zon op zijn heetst is, leed Egypte honger en werden de mensen door besmettelijke ziektes bedreigd. De machten van de chaos deden een aanval. Maar dan kwam de Nijl, die alle leven mogelijk maakt. Nadat het land bevloeid was, werd gezaaid, en het land beleefde een wedergeboorte. Ieder jaar zag Egypte er weer uit als net na de schepping.

Het fenomeen kringloop was zo dominant in de Egyptische denkwereld, dat men vanzelf aannam dat alle levensvormen, dus ook de mensen, een kringloop moesten doormaken. De mens kwam na zijn dood voor een rechtbank die besliste of hij het dodenrijk mocht betreden. Osiris was de koning van het dodenrijk, nadat hij zelf eens was vermoord om daarna weer tot leven te komen. Zijn rijk bevond zich buiten de zichtbare hemel.

Stamboom Egyptische Goden

Vóór het moment van de schepping was de wereld eenvormig, ongedifferentieerd, passief, duister. Met de schepping kwam de veelheid, de energie, het licht, het uiteenvallen in tegendelen. De schepping deed een orde ontstaan, Ma'at genoemd, die steeds weer verdedigd moet worden tegen de machten van de chaos.

Stamboom van de goden

Het ontstaan wordt door de Egyptenaren meestal voorgesteld als het verrijzen van het eerste land uit de oerwateren. Veroorzaker is de goddelijke wil die in het water aanwezig was. Ook de zon speelt in het scheppingsverhaal een grote rol, en wordt vaak als de oergod Atoem gezien.

Een van de bekendste scheppingsverhalen uit het oude Egypte vertelt dat Atoem uit de oerwateren verrees, waarna hij uit zijn zaad luchtgod Sjoe en vochtigheid Tefnoet liet ontstaan. Vervolgens verwekten Sjoe en Tefnoet Aarde en Hemel, in de gedaantes van Geb en Noet. Geb en Noet verwekten Osiris, Isis, Seth en Nephtys, waarmee het negental oergoden compleet was. Osiris en Isis kregen Horus als zoon, die de eerste farao van Egypte was. De farao werd dan ook gezien als afstammeling van de goden

Oergod Amon

In de periode die wordt aangeduid als het Nieuwe Rijk (1550-1070 voor Chr.) is het vooral de god Amon die als schepper van alles wordt vereerd. Hij was de belangrijkste van een achttal goden, die in een gezamenlijke krachtsinspanning de oerheuvel opwierpen. In een plotselinge uitbarsting van energie schiep Amon vanuit het niets de oermaterie, waaruit ditzelfde achttal goden ontstond. Na de schepping ontwikkelde Amon zich tot zonnegod, en werd hij het belangrijkste object van verering.

Ook de mensen, dieren en planten zijn geschapen door de goden. De mens werd uit klei gevormd, op de pottenbakkersschijf van de god Chnoem.

Een van de Egyptische scheppingsverhalen vertelt dat op een gegeven moment de mensen in opstand kwamen tegen hun heerser, de zonnegod, die uiteindelijk naar de hemel vluchtte. Daarop deden dood en ziekte hun intrede. De zon moet 's nachts sterven en strijd leveren, om de schepping iedere keer weer te vernieuwen.

Een plant die in verband werd gebracht met de schepping, is de blauwe lotus, die overal in Egypte groeide. De lotus opent zich bij het opkomen van de zon en sluit zich weer als de zon ondergaat. De Egyptenaren dachten dat de zon ooit uit een lotus was ontstaan, nadat de bloem uit het oerwater was opgekomen. De geur van de lotus, welriekend als de goden zelf, zou nieuwe levenskracht geven.

Ode aan Isis


Ode aan Isis <----klik op deze link, voor een prachtige SWF filmpje, met een ode aan Isis.

dinsdag 14 juli 2009

De lotus in de keuken

"Wat is dat nu weer?” mompelde ik hoopvol, toen ik in de Chinese supermarkt deze plantaardige dingen zag liggen: vacuüm verpakt in doorzichtig plastic, zo lang als mijn voorarm en met een gewicht van achthonderd gram. Ik dacht eerst dat het om drie vruchten ging, tot ik merkte dat ze met elkaar vergroeid waren. Een superbanaan?

Thuis deed ik het pak open. Neen, het was geen kookbanaan, eerder een soort riet met obesitasproblemen. Of anorectische ongeschilde kokosnoten? Het ding bleek stevig, bruingroen met een dun velletje en het rook heerlijk. Het geurt als rozen en brengt een frisse lucht in de woonkamer.

Het bleek om de wortelstok van de heilige lotus te gaan (Nelumbo nucifera). Deze Aziatische moerasplant lijkt sterk op, en is verwant met, de waterlelie. Hij komt oorspronkelijk uit India, maar werd al duizenden jaren geleden over heel Azië (en Egypte) verspreid.

De plant heeft een bijzondere plaats in het hindoegeloof, maar wordt daarom niet minder gebruikt in de keuken. Zo schijnt ongeveer alles van de plant eetbaar. De bladeren dienen om er gerechten in te verpakken tijdens het bakken of stomen. Men kruidt er thee mee. De zaden (noten) worden zó genuttigd, of tot meel gemalen. De vruchtbodem lijkt weggelopen uit een slechte sciencefictionfilm. Je vindt die dingen weleens tussen droogboeketten: ze lijken op bruine schotelantennes. Ook dat deel van de plant is eetbaar, al wordt het beschreven als ‘intens bitter’. Wat ik hier heb gekocht, is dus de wortelstok.

Vandaag wordt lotus, als tuinbouwproduct, vooral verbouwd in het Verre Oosten. Men kweekt ze in rijstvelden. In het voorjaar worden stukken wortelstok uitgeplant in de modder onder water. Van oktober tot januari, als het loof is afgestorven, oogst men de uitgegroeide wortels opnieuw. Eén plant kan tot twintig vierkante meter wortelstokken produceren. En die worden gretig gebruikt in de Chinese en Japanse keuken. Omdat het een heilige plant is, worden er zeer veel gezondheidsclaims aan verbonden. Maar of het allemaal waar is?

Verslavend
In de oude Europese literatuur was het Homeros die ons voor het eerst over een lotus vertelde. Na negen dagen storm, zo schrijft hij in de Odyssee, komt Odysseus met zijn vloot aan op het eiland van de Lotofagen, voor de Afrikaanse kust. Men vermoedt dat dit het huidige Djerba is. Hij stuurt er drie mannen op uit om contact te leggen met de lokale bevolking, maar ze komen niet terug. Als hij ze gaat zoeken, vindt hij ze verslaafd en verdoofd van het eten van de lotus, een ‘bloemrijk’

voedsel. Hij neemt ze met geweld mee en laat ze ‘afkicken’ op zee, vastgebonden aan hun roeiriemen.

Een hard verhaal, maar het ging waarschijnlijk niet om deze lotus. Modern onderzoek heeft uitgemaakt dat een andere waterlelie, de blauwe lotus (Nymphaea caerulea), wel verslavend en verdovend kan werken, maar onze ‘heilige’ lotus niet.

!Douchekop
Je lotuswortelstokken vers kopen of in altijd in blik, voorgekookt en in schijfjes gesneden. Neem je vers, zoek er uit met een onbeschadigde huid, zonder donkere (rotte) vlekken. Thuis in de keuken spoel je ze even af en snij je de gezwollen wortel van de taaie, dunne ‘knopen’. Je schraapt de dunne huid eraf met een mesje, zoals je nieuwe aardappeltjes schraapt. Dit gaat vrij vlot. Onder het vel zit ivoorwit vlees. Na enkele minuten begint dat wortelvlees bruin te worden. Plons de geschilde lotuswortel dus eerst onder in water met een scheutje azijn of wrijf ze in met een halve citroen. Daarna zijn ze veilig tegen verkleuring.

Je kunt ze nu dwars op de lengteas in schijfjes snijden. Surprise! De doorsnee van de lotuswortel zit vol ronde gaten, net een wiel... of een douchekop. Dat zijn luchtkanalen waarmee de plant ademt. Deze wortelstokken zitten immers het hele jaar door in rottend, zuurstofloos slijk, en ze hebben ook frisse lucht nodig.

De geur doet nog steeds lichtjes aan rozen denken, maar de textuur is verrassend. Het wortelvlees is krokant als groene appel. Proef maar, de plant is ook rauw eetbaar. De smaak deed me heel even aan schorseneren denken. Ik liet ze kort koken in licht gezouten water, maar textuur noch smaak wordt daar erg door aangetast.

Chips
Lotuswortelstokken (of rizomen, zoals die wetenschappelijk heten) zou je als alternatief voor aardappelen kunnen gebruiken. Ze bevatten immers vooral zetmeel. Je kunt er prachtige chips van bakken. Maar ze kunnen evengoed in schijfjes in de groentesoep. Ze blijven te allen tijde knapperig. De Chinese keuken laat ze vaak meebakken in de wok (twee minuten), maar ik zou ze vooral proberen in een salade. Met veldsla, bijvoorbeeld. Snij de lotus in dunne schijfjes (even pocheren mag, maar hoeft niet) en meng ze met gespoelde en gedroogde veldsla. Pers er een klein blokje verse gember over door de knoflookpers, schep er een lepeltje zoute sojasaus over, wat olie en azijn en een sprenkeltje sesamzaad. Liefdevol mengen en... eet smakelijk

maandag 13 juli 2009

Indiase mythe en de blauwe lotus.


Uit de padmayoni, de boezem van de lotus, uit de absolute ruimte, of uit het heelal buiten ruimte en tijd, emaneert de kosmos, die is geconditioneerd en beperkt door ruimte en tijd. De hiranyagarbha, het ei (of de schoot) van goud, waaruit Brahma te voorschijn komt, wordt vaak de hemelse lotus genoemd. De god Vishnu de synthese van de trimurti of de hindoedrieëenheid drijft tijdens de nachten van Brahma slapend op de oerwateren, uitgestrekt op de bloem van een lotus. Zijn godin, de schone Lakshmi, die oprijst uit de schoot van de wateren, zoals Venus-Aphrodite, heeft een witte lotus onder haar voeten. Bij het karnen van de melkoceaan een symbool van ruimte en van de melkweg door de goden die waren bijeengekomen, verscheen Lakshmi, godin van de schoonheid en moeder van de liefde (kama) en gevormd uit het schuim van de golven, aan de verbaasde goden, drijvend op een lotus met een andere lotus in haar hand.

Zo zijn de twee belangrijkste titels van Lakshmi ontstaan; padma, de lotus, en kshirabdhi-tanaya, dochter van de melkoceaan. Gautama de Boeddha werd nooit verlaagd tot het niveau van een god, ondanks het feit dat hij in historische tijden de eerste sterveling was die onbevreesd genoeg was om de zwijgende sfinx, die we het heelal noemen, te ondervragen en daaraan tenslotte de geheimen van leven en dood te ontfutselen. Hoewel hij nooit werd vergoddelijkt, herhalen we, werd hij niettemin door generaties in Azië erkend als de Heer van het heelal. Daarom wordt deze overwinnaar en meester van de wereld van het denken en de filosofie afgebeeld zittend op een lotus in volle bloei, een embleem van het heelal dat door hem is doorgrond. In India en Ceylon heeft de lotus in het algemeen een goudkleur; onder de boeddhisten van het noorden is hij blauw.

Maar er bestaat ergens op de wereld een derde soort lotus de Zizyphus. Wie ervan eet vergeet zijn vaderland en allen die hem lief zijn, zo zeggen de Ouden. Laten we dit voorbeeld niet volgen. Laten we ons geestelijk thuis niet vergeten, de wieg van de mensheid, en de geboorteplaats van de blauwe lotus.

Laten we de sluier van vergetelheid, die een van de oudste allegorieën bedekt, optillen een Vedische legende die echter door de brahmaanse kroniekschrijvers is bewaard. Maar omdat de kroniekschrijvers de legende elk op hun eigen manier hebben naverteld en hun eigen variaties (1) hebben aangebracht, geven we het verhaal hier niet volgens de bewerkingen en onvolledige vertalingen van de oriëntalisten maar volgens de gangbare versie. Op die manier wordt het door de oude barden van Rajasthan gezongen, wanneer ze op de hete avonden van het regenseizoen komen en gaan zitten op de veranda van de bungalow van de reiziger. We laten de oriëntalisten dus over aan hun fantastische speculaties. Wat doet het ertoe of de vader van de zelfzuchtige en laffe prins, die de oorzaak was van de transformatie van de witte lotus in de blauwe lotus, Harischandra of Ambarisha wordt genoemd? Namen hebben niets te maken met de naïeve poëzie van de legende, noch met de moraal ervan want er is een moraal in te vinden als we goed opletten. We zullen al snel zien dat de hoofdepisode in het verhaal merkwaardig veel lijkt op een andere legende die over de bijbelse Abraham en het offer van Izaak. Is dit niet een bewijs temeer dat de geheime leer van het oosten een goede reden kan hebben om te beweren dat de naam van de aartsvader noch Chaldeeuws noch Hebreeuws is, maar eerder een epitheton en een Sanskrietbijnaam met de betekenis a-bram, dat wil zeggen iemand die een niet-brahmaan (2) is, een gedebrahmaniseerde brahmaan, iemand die is verlaagd of die zijn kaste heeft verloren?

De blauwe lotus


Eeuw na eeuw is voorbijgegaan sinds Ambarisha, koning van Ayodhya, regeerde in de stad die werd gesticht door de heilige Manu Vaivasvata, de nakomeling van de zon. De koning was een Suryavansa (een afstammeling van het zonneras), en hij beweerde een heel trouwe dienaar van de god Varuna (3) te zijn, de grootste en machtigste godheid in de Rig Veda. Maar de god had zijn vereerder mannelijke erfgenamen ontzegd en dit maakte de koning erg ongelukkig.

Helaas! klaagde hij iedere ochtend wanneer hij zijn puja aan de kleinere goden opdroeg, helaas! Wat heeft het voor zin om de grootste koning op aarde te zijn als God me een erfgenaam van mijn eigen bloed ontzegt! Als ik eenmaal dood ben en op de brandstapel lig, wie zal dan de vrome plichten van een zoon verrichten, en mijn levenloze schedel verbrijzelen om mijn ziel van deze aardse ketenen te bevrijden? Welke vreemde handen zullen er met volle maan de rijst van de sraddhaceremonie offeren om mijn geest te eren? Zullen zelfs de vogels van de dood (4) zich niet afwenden van het begrafenisfeest? Want mijn schaduw die aan aardse zaken is gebonden, zal in zijn grote wanhoop hen beslist niet toestaan er deel aan te hebben!

De koning was zo aan het jammeren toen zijn grihastha (familiepriester) hem inspireerde met het idee om een gelofte te doen. Als God hem twee of meer zonen zou sturen, zou hij God beloven de oudste zoon in een openbare ceremonie aan Hem te offeren wanneer deze de puberteit heeft bereikt. Aangetrokken door deze belofte van bloedend en rokend vlees zo geliefd bij alle grote goden accepteerde Varuna de belofte van de koning, en de gelukkige Ambarisha kreeg een zoon, gevolgd door verschillende andere. De oudste zoon, op dat moment de erfgenaam van de troon, heette Rohita (de rode) en kreeg de bijnaam Devarata wat letterlijk vertaald betekent: door god gegeven. Devarata groeide op en werd al snel een werkelijke droomprins, maar als we de legenden mogen geloven, was hij even zelfzuchtig en geslepen als dat hij mooi was.

Toen de prins de vereiste leeftijd bereikte, droeg de god die via de mond van dezelfde hofpriester sprak, de koning op om zijn belofte te houden; maar toen Ambarisha elke keer een excuus bedacht om het uur van zijn offer uit te stellen, raakte de god tenslotte geïrriteerd. En omdat hij een jaloerse en boze god was, dreigde hij de koning met al zijn goddelijke toorn.

Lange tijd hadden noch bevelen noch dreigementen het gewenste effect. Zolang er heilige koeien waren om van de koninklijke koestallen te worden overgebracht naar die van de brahmanen, zolang er geld in de schatkist was om de tempelcrypten te vullen, slaagden de brahmanen erin Varuna rustig te houden. Maar toen er geen koeien meer waren, toen er geen geld meer was, dreigde de god om het paleis met de koning en zijn erfgenamen te verzwelgen, en als ze zouden ontsnappen om ze levend te verbranden. De arme koning, die geen uitweg meer zag, riep zijn eerstgeboren zoon bij zich en bracht hem op de hoogte van het lot dat hem wachtte. Maar Devarata hield zich doof voor die berichten. Hij weigerde zich te onderwerpen aan zowel de vaderlijke als de goddelijke wil.

Dus, toen de offervuren waren ontstoken en alle goede mensen uit de stad Ayodhya vol emotie waren bijeengekomen, was de troonopvolger niet bij het feest aanwezig. Hij hield zich verborgen in de wouden van de yogi. Deze wouden werden bewoond door heilige kluizenaars, en Devarata wist dat men hem daar niet zou kunnen bereiken of overvallen. Hij zou daar kunnen worden bezocht, maar niemand zou hem kwaad kunnen doen zelfs niet de God Varuna zelf. Het was allemaal heel eenvoudig. De religieuze ascese van de aranyaka(de heilige mannen van de wouden), en enkelen van hen waren daitya\ (titanen, een ras van reuzen en demonen), gaf hen zo overwicht dat alle goden beefden voor hun macht en hun bovennatuurlijke vermogens zelfs Varuna zelf.

Deze voordiluviaanse yogi, zo scheen het, beschikten over het vermogen om zelfs de god zelf te vernietigen, naar willekeur mogelijk omdat ze hem zelf hadden uitgevonden. Devarata bleef enkele jaren in de wouden; tenslotte kreeg hij genoeg van dat leven. Hij liet weten dat hij Varuna zou tevredenstellen met een substituut die zichzelf in zijn plaats zou offeren op voorwaarde dat het slachtoffer de zoon was van een rishi, begon hij zijn zoektocht en vond tenslotte wat hij zocht.

In het land dat ligt rond de met bloemen bedekte oevers van het bekende Pushkarameer, was hongersnood en een heel oude man, Ajigarta (6) genaamd, stond op het punt van de honger te sterven, evenals zijn hele familie. Hij had verschillende zonen van wie de tweede, Sunahsepa, een deugdzame jongeman, zichzelf eveneens voorbereidde om een rishi te worden. De handige Devarata trok voordeel uit zijn armoede en dacht terecht dat een hongerige maag veel beter zou luisteren dan een gevulde maag, en bracht de vader op de hoogte van zijn geschiedenis. Daarna bood hij hem honderd koeien aan in ruil voor Sunahsepa, als plaatsvervangend vleesoffer op het altaar van de God. De deugdzame vader weigerde eerst kortaf, maar de vriendelijke Sunahsepa bood uit eigen beweging zichzelf aan, en richtte zich tot zijn vader:

Wat is de waarde van één leven voor een man als hij dat van vele anderen kan redden? Deze god is een grote god en zijn medelijden is oneindig; maar hij is ook een jaloerse god en hij is snel boos en vol van wraak. Varuna is de heer van de verschrikking, en de dood gehoorzaamt zijn bevel. Zijn geest zal niet voor altijd blijven twisten met iemand die hem ongehoorzaam is. Het zal hem berouwen dat hij de mens heeft geschapen, en zal dan honderdduizend lakhs (7)

onschuldige mensen verbranden voor één man die schuldig is. Als zijn slachtoffer hem zou ontsnappen, zal hij zeker alle rivieren laten opdrogen, ons land verschroeien en onze zwangere vrouwen opensplijten in zijn oneindige goedheid. Laat me dan mezelf opofferen, o! mijn vader, in plaats van deze vreemdeling die ons honderd koeien aanbiedt. Die som zou u en mijn broeders ervoor behoeden te sterven van honger en zou duizenden anderen redden van een vreselijke dood. Tegen deze prijs is het opgeven van het leven iets aangenaams.
De oude rishi stortte enige tranen, maar hij gaf tenslotte toestemming en begon de offerbrandstapel voor te bereiden. (8)

Het Pushkarameer (9) was een van die plekken op deze aarde die geliefd waren bij de godin Lakshmipadma (witte lotus); ze dook vaak in het frisse water, opdat ze haar oudste zuster Varuni zou kunnen bezoeken, de echtgenote van de god Varuna.(10) Lakshmipadma hoorde het voorstel van Devarata, was getuige van de wanhoop van de vader, en bewonderde de toewijding van de zoon Sunahsepa. Vol medelijden liet de moeder van liefde en mededogen de rishi Visvamitra komen, een van de zeven oorspronkelijke Manu en een zoon van Brahma, en slaagde erin hem te interesseren in het lot van haar beschermeling. De grote rishi beloofde haar te helpen. Hij verscheen aan Sunahsepa, maar bleef voor de anderen onzichtbaar, en leerde hem twee heilige verzen uit de Rig-Veda, en liet hem beloven deze op de brandstapel te reciteren. Wie deze twee mantra(aanroepingen) uitspreekt, dwingt de hele verzameling van de goden, met Indra aan het hoofd, te komen om hem te redden, en daardoor wordt hijzelf in dit leven een rishi, of in zijn volgende incarnatie.

Het altaar was opgericht langs de oever van het meer, de brandstapel was gereedgemaakt en de menigte was verzameld. Nadat hij zijn zoon op het geparfumeerde sandelhout had gelegd en hem had vastgebonden, voorzag Ajigarta zich van het offermes. Hij stond juist op het punt zijn bevende arm boven het hart van zijn geliefde zoon te verheffen, toen de jongen de heilige verzen begon te zingen. Er was even een moment van aarzeling en van groot verdriet en toen de jongen de mantra beëindigde, stak de oude rishi het mes in de borst van Sunahsepa.

Maar, o! wat een wonder! Op dat moment kwam Indra, de god van het blauwe gewelf (het heelal) te voorschijn uit de hemel en daalde af middenin de ceremonie. Hij wikkelde de brandstapel en het slachtoffer in een dikke blauwe mist; de mist doofde de vlam van de brandstapel en maakte de touwen los die de jongeman gevangen hielden. Het scheen alsof een hoek van de azuren hemel naar omlaag was gekomen naar die plek en het hele land verlichtte en het hele tafereel kleurde met een gouden blauw. Verschrikt viel de menigte en ook de rishi zelf ter aarde, halfdood van angst.
Toen ze tot zichzelf waren gekomen, was de mist opgetrokken en had de plek een volledige verandering ondergaan.
De vuren van de brandstapel waren vanzelf weer aangegaan, en daarop zag men een hinde (rohit) (11) uitgestrekt die niemand anders was dan prins Rohita, de Devarata, wiens hart was doorboord met het mes dat hij tegen een ander had gebruikt, en die zelf lag te branden als een offer voor zijn zonde.

Op korte afstand van het altaar lag Sunahsepa vredig te slapen, eveneens uitgestrekt maar op een bed van lotussen; en op de plaats op zijn borst waar het mes was neergekomen zag men een mooie blauwe lotus bloeien. Het Pushkarameer dat kort tevoren nog bedekt was met witte lotussen waarvan de bladeren in de zon schitterden als zilveren kopjes vol met amrita, (12) weerspiegelde nu de azuren hemel de witte lotussen waren blauw geworden. Daarna, als het geluid van de vina (13) dat opsteeg in de lucht vanuit de diepten van de wateren, werd een melodieuze stem gehoord die deze woorden en deze vloek uitsprak: Een prins die niet weet hoe hij voor zijn onderdanen moet sterven is niet waardig te regeren over de kinderen van de zon. Hij zal worden wedergeboren in een ras van roodharige mensen, een barbaars en zelfzuchtig volk, en de naties die van hem afstammen zullen als erfgoed slechts het land van de ondergaande zon [het westen] bezitten. De jongere zoon van een bedelaar en asceet, die zijn leven zonder te aarzelen opoffert om het leven van anderen te redden, zal koning worden en zal in plaats van hem regeren.

Een gemompel van instemming zette het tapijt van bloemen in beweging dat over het meer lag uitgespreid. De lotussen openden hun blauwe harten voor het gouden zonlicht, en glimlachten met vreugde en zonden een gezang van geuren naar Surya, hun zon en meester. De hele natuur verheugde zich, behalve Devarata, die toen maar een handjevol as was.

Hoewel Visvamitra, de grote rishi, al de vader was van honderd zonen, adopteerde hij toen Sunahsepa als zijn oudste zoon en als voorzorgsmaatregel vervloekte hij bij voorbaat iedereen die zou weigeren de laatstgeborene van de rishi als de oudste van zijn kinderen te erkennen en als de wettige erfgenaam van de troon van koning Ambarisha. Door dit decreet werd Sunahsepa in zijn volgende incarnatie geboren in de koninklijke familie van Ayodhya en regeerde 84.000 jaar over het zonneras.

Wat betreft Rohita ook al was hij Devarata of door god gegeven hij onderging het lot waartoe Lakshmipadma hem had veroordeeld. Hij incarneerde in de familie van een buitenlander zonder kaste (Mlechchha-Yavana) en werd de voorouder van de barbaarse en roodharige rassen die in het westen wonen.

De blauwe lotus werd gevestigd om die rassen te bekeren.
Als een van onze lezers zou twijfelen aan de historische juistheid van het avontuur van onze voorouder, Rohita, en aan de transformatie van de witte in een blauwe lotus, dan wordt hij uitgenodigd een reis naar Ajmer te maken.

Als hij eenmaal daar is, hoeft hij slechts naar de oevers te gaan van het drie keer gezegende meer, Pushkara genoemd, waar iedere pelgrim die baadt tijdens de volle maan van de maand Kartika (oktober-november) de hoogste heiligheid bereikt, zonder enige andere inspanning. Daar zouden de sceptici met hun eigen ogen de plaats zien waar de brandstapel van Rohita werd gebouwd, en ook de wateren die in die vervlogen dagen door Lakshmi werden bezocht.

Ze zouden misschien zelfs de blauwe lotussen zien, als de meeste ervan sindsdien niet waren veranderd, als gevolg van een nieuwe transformatie die door de goden is bevolen, in heilige krokodillen die niemand mag verstoren. Deze transformatie biedt aan negen van de tien pelgrims die in de wateren van het meer springen de gelegenheid om nirvana bijna onmiddellijk in te gaan, en is ook de oorzaak ervan dat de heilige krokodillen de vetste van hun soort zijn.

Noten:

1.
Vergelijk de geschiedenis van Sunahsepa in het Bhagavata Purana IX, XVI, 35 en in het Ramayana, Bk. I., hfst. 60; Manu, X, 105; Kulluka-Bhatta (de geschiedkundige); Bahurupa en de Aitareya Brahmana; Vishnu Purana, enz., enz. Elk boek geeft zijn eigen versie.
2.
Het partikel a in het Sanskrietwoord wijst daar duidelijk op. Geplaatst voor een zelfstandig naamwoord betekent dit partikel altijd een ontkenning of het tegenovergestelde van de betekenis van de uitdrukking die er volgt. Dus sura (god), geschreven a-sura, wordt niet-god, of de duivel; vidya is kennis, en a-vidya is onwetendheid of het tegenovergestelde van kennis, enz., enz.
3.
Het is pas veel later in het orthodoxe pantheon en in het symbolische pantheïsme van de brahmanen dat Varuna de Poseidon of Neptunus werd die hij nu is. In de Veda is hij de oudste van de goden, identiek met Ouranos van de Grieken, dat wil zeggen een personificatie van de hemelse ruimte en de oneindige goden, de schepper en heerser van hemel en aarde, de koning, de vader en de meester van de wereld, van goden en van mensen. De Ouranos van Hesiodus en de Griekse Zeus zijn één.
4.
Raven en kraaien.
5.
Het sraddha is een ceremonie die gedurende negen dagen na de dood door de nauwste familieleden van de overledene wordt verricht. Het was ooit een magische ceremonie. Nu bestaat het echter, evenals andere praktijken, voornamelijk uit het rondstrooien van balletjes gekookte rijst voor de deur van het huis van de overledene. Als de kraaien de rijst direct opeten is dat een teken dat de ziel is bevrijd en rust heeft. Als deze vraatzuchtige vogels het voedsel niet aanraakten, was dat een bewijs dat de pisacha of bhuta (schaduw) aanwezig is en hen daarvan weerhoudt. Ongetwijfeld is het sraddha een bijgeloof, maar zeker niet meer dan novenen of missen voor de doden.
6.
Anderen noemen hem Rishika en noemen koning Ambarisha, Harischandra, de beroemde heerser die een toonbeeld was van alle deugden.
7.
Een lakh is een maat van 100,000, van hetzij mensen òf geldstukken.
8.
Manu (Boek X, 105) zinspeelt op dit verhaal en merkt op dat Ajigarta, de heilige rishi, geen zonde beging om het leven van zijn zoon te verkopen, omdat het offer zijn leven spaarde en dat van zijn hele familie. Dit doet ons denken aan een andere legende, die moderner is, die zou kunnen dienen als een parallel voor de oudere. At graaf Ugolino, veroordeeld om in zijn kerker de hongerdood te sterven, niet zijn eigen kinderen op voor hen een vader te bewaren? De bekende legende van Sunahsepa is mooier dan het commentaar van Manu kennelijk een inlassing van sommige brahmanen in vervalste manuscripten.
9.
Dit meer wordt soms in onze tijd Pokhar genoemd. Het is een plek die bekend is om zijn jaarlijkse pelgrimstocht, en is heel mooi gelegen op vijf Engelse mijlen van Ajmer in Rajasthan. Pushkara betekent de blauwe lotus, omdat het oppervlak van het meer is bedekt met een tapijt van deze mooie planten. Maar volgens de legende waren ze eerst wit. Pushkara is ook de eigennaam van een man, en de naam van een van de zeven heilige eilandenin de geografie van de hindoes, de sapta dvipas.
10.
Varuni, godin van de warmte (later godin van de wijn), werd eveneens geboren uit de melkoceaan. Van de veertien kostbare voorwerpendie door het karnen waren voortgebracht, scheen zij de tweede te zijn en Lakshmi de laatste, voorafgegaan door de beker met amrita, de drank die onsterfelijkheid verleent.
11.
Een woordspeling. Rohit is Sanskriet voor een vrouwelijke hert, een hinde, en rohita betekent 8rood. Het was wegens zijn lafheid en angst voor de dood dat hij volgens de legende door de goden in een hinde werd veranderd.
12.
Het elixer dat onsterfelijkheid verleent.
13.
Een soort luit. Een instrument dat zou zijn uitgevonden door de god Siva.

Vergelijkbare Blogs

Related Posts with Thumbnails